Hij gooit alles in de war, die man

Wat doen demente ouderen in een groep? „Bij een spel leven sommigen op”, zegt de verzorgende. „Anderen denken: o jee, dat kan ik niet.”

Nederland, Zeist, 11-7-2011. Foto Maarten Hartman. Foto is gemaakt voor de serie Standplaats. Luxe koekjes voor bij de koffie.

‘Kijk, mannen. Yolanthe!” Christine van Lunteren houdt de Spits! omhoog, met een nogal blote foto op de voorpagina. „Ze is een stukje van haar jurk vergeten”, bromt een van de mannen aan de grote, ovale tafel. In het midden staat een schaal met verse bloemen.

Het gezamenlijk doornemen van de krant (De Telegraaf, de lokale krant en gratis dagbladen) is een dagelijks ochtendritueel. Verzorgende Van Lunteren, in zwart jurkje, spijkerjasje en laarzen noemt eerst nadrukkelijk de datum en de dag van de week. „We gaan alweer naar de winter toe”, zegt ze met haar doordringende altstem. „Straks staat de kerstboom weer in huis.” „Gossiemijne”, zegt een van de vrouwen.

De mensen aan de tafel zijn hier niet om te genezen, maar vooral om thuis weg te zijn. Doordat mensen steeds ouder worden, en de ziekte van Alzheimer onder tachtigplussers epidemisch is, leven steeds meer gezonde mensen samen met demente mensen. Als hun demente huisgenoot overdag (soms) weg is, houden ze de verzorging langer vol. De demente, die steeds minder kan, heeft baat bij professionele begeleiding, die erop is gericht dat hij zich veilig voelt. Ook biedt de opvang activiteiten die hij aankan.

De dagbehandeling in Zeist was oorspronkelijk gevestigd in een wooncentrum, maar dat schrikte mensen af. Enkele jaren geleden verhuisde ze daarom naar de benedenverdieping van een appartementengebouw, aan de rand van een villawijk met oude bomen. Het heeft een eigen ingang aan de achterzijde.

Het niveau van de bezoekers loopt uiteen. Tijdens het krantenlezen nemen twee mensen spontaan deel aan het gesprek, de anderen drinken zwijgend hun koffie of thee. Sommigen leven op bij algemene onderwerpen, zoals het weer. Ook de vraag wie zijn echte tanden nog heeft, maakt veel los.

Van Lunteren leest een stukje voor over de verstoring van een rouwstoet door schoolkinderen. „Snotneuzen”, zegt meneer Carree, die het bericht al kende. „Ze schijnen het internationale vriendschapsgebaar te hebben gemaakt.” Ja, zegt Van Lunteren en steekt haar middelvinger op voor degenen die dat niet begrijpen.

„Wat heeft u opeens een kleur, meneer Goedendorp!”, zegt ze tegen de man naast haar, die af en toe lijkt weg te dommelen. „Hij schrok er een beetje van!”, zegt de vrouw tegenover hem. Goedendorp tilt traag zijn hoofd op, als een schildpad, en wendt zich tot Van Lunteren, die zijn reactie geduldig afwacht. „Dat… is… natúúr!”, zegt hij zangerig.

Dementie ontwikkelt zich bij iedereen anders. De een rebelleert, de ander trekt zich terug of doet alsof er niets aan de hand is (façadegedrag). Terwijl de meeste mensen in de dagopvang nauwelijks praten, gruwt één vrouw juist van stiltes. „Ze zeggen vriendelijk gedag, maar er komt niets uit”, klaagt ze over haar medebezoekers. Gelukkig is meneer Jansen er, die bij dezelfde voetbalclub heeft gespeeld als haar man. „Als wij samen zitten te kleppen, vind ik het niet erg”, vertrouwt ze hem toe. „Anders was ik weggegaan, hoor.”

De begeleiders proberen iedereen aan te spreken op zijn eigen niveau. Dat kan niet altijd. „Bij een spel leven sommigen op”, zegt Christine van Lunteren. „Anderen denken: o jee, dat kan ik niet.”

Maar voor de groepsbenadering bestaat eigenlijk geen alternatief, zegt psycholoog Ineke Smulders van de organisatie Warande, waar dagbehandeling De Boulevard toe behoort. „Het is financieel en emotioneel niet op te brengen iemand een hele dag individueel te begeleiden.”

Na de lunch, als de meeste bezoekers rusten, is er ruimte voor onderonsjes. Een slechthorende vrouw en een spraakzame man voeren een geanimeerd gesprek op het terras. Voor buitenstaanders is het niet te volgen, maar ze stralen als jongverliefden.

Hij: „Het is best koud, vind je niet?”

Zij: „Of ik van beschuit hou? Ja, heerlijk!”

Hij: „Het is voor jou zo langzamerhand ook weer tijd om te gaan flessen.”

„Flessen?”

„Ja, het is al een drie.”

Ze kijkt op haar horloge. Hij ook.

Hij: „Ik heb er ook een, dat zit wel goed.”

Zij: „Ik ben ook anderhalf jaar ouder dan jij.”

Hij, olijk: „Wat zeg je nou!”

Ze giechelt meisjesachtig.

Drie uur, iedereen zit weer aan tafel. Verzorgende Joke van den Berg gaat bij het schoolbord in de grote woonkamer staan. Op haar verzoek prikt meneer Jansen een letter in De Telegraaf. Ze vraagt om plaatsnamen die beginnen met een W.

Meneer Frank, met een bril aan een touwtje, spitst bijna zichtbaar zijn oren. Hij heeft die dag nog vrijwel niets gezegd. Starend naar het tafelblad zat hij in zijn stoel. Nu komt hij met Wemeldinge en Wadenoije. Van den Berg schrijft ze op het bord.

Een man noemt Waspik, een vrouw Wageningen. En Wildernis. Voor de zekerheid kijkt Van den Berg in het 100-plaatsnamenboek. Nee, Wildernis staat er niet in. „Wat is het dan?”, vraagt de vrouw. Meneer Frank, luid en duidelijk: „Dat is een woest gebied.”

De N. „Nuenen!” Meneer Frank dendert door. ‘Neunen’ schrijft Joke van den Berg op. „Het is met ‘ue’”, roept Frank, terwijl hij priemend naar het schoolbord wijst. Dat gaat zijn overbuurman te ver. „Hij gooit alles in de war, die man.”

Nooitgedagt, dan. „Dat is een wijk”, zegt een vrouw. Maar het blijkt ook een dorp te zijn, in Groningen. „Nooitgedagt”, mompelt ze verwonderd. „Nooit geweten.”

Joke Mat