Eet de rijken

Het bijvoeglijk naamwoord is in de moderne tijd altijd maar weer onderwerp van verhitte debatten. Tegenstanders wijzen erop dat het bijvoeglijk naamwoord een ongewenste inkleuring geeft aan zinnen die verder strikt rationeel en waardevrij zijn. Een schrijfcursus voor sociale wetenschappers kwam daarom ooit met de aanbeveling het adjectief „alleen in uiterste noodzaak” te gebruiken. „Met zelfstandige naamwoorden is doorgaans weinig mis.”

Nu de waardevrije stijl van de wetenschap heel het leven is gaan beheersen, valt te overwegen ook geen lyriek meer te gebruiken in artikelen over politiek en maatschappij. Zo had vorige week een concertbespreking op de voorpagina van Het Parool een stuk korter gekund als de subjectieve kwalificaties waren weggelaten. „In de hal is het druk, hier en daar een tongval. Er zijn vrouwen in motieven, ze hebben lachjes en stemmen. Iedereen ziet er uit.”

We zijn goed op weg een waardevrij land te worden. Nog niet iedereen heeft zijn emoties onder controle, maar op professioneel niveau raken velen ervan doordrongen dat we in tijden leven, en dat we dus moeten aandringen en ons richten. Om dit alles zo rationeel mogelijk te laten verlopen wordt gebruik gemaakt van modellen, technologieën, meetinstrumenten. Winst wordt met mathematische technieken wonderbaarlijk verdriedubbeld, bewegingen worden geregistreerd, data waardevrij opgeslagen.

Komen we dadigers op het spoor, dan stellen we aan de hand van natuurwetenschappelijk onderzoek hun abnormaliteit objectief vast, waarna we hun kinderen in observatieklinieken plaatsen, zodat we niet alleen geen rechtssysteem meer nodig hebben, maar ook geen onderwijs. In feite kan de Bildung überhaupt wel afgeschaft; en dat zal tijd worden ook, want alles welbeschouwd is die hele Bildung toch vooral een kwestie en een aangelegenheid.

Zo’n rationele repressiemaatschappij kan al met al prima functioneren zonder moraal. Vanuit filosofisch oogpunt is dat zelfs winst; je moet nooit meer overhoop halen dan nodig is. Het is de wijsgerige les die Hanlon’s Razor, het Scheermes van Hanlon, ons leert: schrijf niets toe aan kwaadwillendheid dat je ook kunt toeschrijven aan stompzinnigheid.

Maar er is één probleem. Bij gebrek aan moraal, bij gebrek aan een gesprek over de richting waarin we bewegen, de wensen en verlangens die we hebben voor de toekomst, valt er weinig vooruitgang te verwachten. Toezichtsystemen creëren geen waarde, hersenonderzoek geeft ons geen doel om voor te leven. Registratie en disciplinering mogen in sommige disciplines dan uiterst verstandig zijn, op andere gebieden zijn ze de dood in de pot.

Wat daarom de laatste tijd als geruststellend opvalt, is de herontdekking van ethiek en moraal door twintigers die er nooit eerder in hun leven mee te maken hadden gehad. ‘Wat geweldig’, riep laatst een jonge ambtenaar tijdens een bijeenkomst over prestatiemeting en veiligheidscontouren. ‘Ik dacht dat moraal iets was van de jaren vijftig, met God en krulspelden en zo, maar het is echt een boeiend concept. Ik weet zeker dat we er iets mee gaan doen.’

En mochten de jonge ambtenaren dit toch niet redden – wegens tijdgebrek, andere prioriteiten, ambities – dan zal de werkelijkheid ons wel dwingen spoedig iets met het concept te gaan doen. Terwijl beleidsmakers en experts angstvallig proberen de boel in toom te houden, schieten op het zelfde moment aan alle kanten grassroots bewegingen onder de stoeptegels vandaan; jeugdige protesten, met digitale draden aan elkaar geknoopt. Niet ter ondersteuning van een politieke stroming of een partij of politicus, maar gedreven door een morele agenda.

Dit weekend gingen mensen op veel plaatsen de straat op met een roep om sociale rechtvaardigheid en hervorming van het financiële stelsel. In New York – ‘Occupy Wall Street!’ – en Manchester leken de klachten en verlangens sterk op elkaar. Engelse en Amerikaanse betogers liepen zelfs rond met dezelfde bezorgde slogan. ‘One day the poor will have nothing left to eat but the rich.’

Toevallig had een paar dagen eerder internetgoeroe Yuri Milner het ontstaan voorspeld van een mondiaal brein uit de combinatie van alle mensen ter wereld en een grote machine. Zijn beschrijving van dit überintelligente netwerkorganisme deed nu tegelijk denken aan de optelsom van wereldwijde grassroots bewegingen als aan de definitie van de dwaas die Ambrose Bierce ooit gaf in The Devil’s Dictionary.

De ‘fool’, schreef Bierce in 1911, is een alwetende, almachtige en alles waarnemende intelligentie. ‘In de ochtend van de tijd zong hij op primitieve heuvelen, en in de middag van het bestaan liep hij voorop in de processie van het zijn.’ En Ambrose Bierce sloot de lyrische levensbeschrijving van zijn dwaas af met een voorspelling. ‘Wanneer wij ons allemaal zullen hebben teruggetrokken in de nacht van de eeuwige vergetelheid, zal hij opblijven om de geschiedenis van de menselijke beschaving te schrijven.’

Terwijl wij wanhopig proberen het leven te registreren en te disciplineren, nadert uit de verte de alwetende dwaas, en hij zingt een lied van verlangen en protest vol adjectieven.

    • Marjolijn Februari