Dood Awlaki verdeelt VS

De rake raket die vrijdag de Amerikaanse Jemeniet Anwar al-Awlaki doodde, maakt veel debat los in de VS. Maar Dick Cheney prijst Barack Obama.

Dat het Barack Obama gelukt was de Amerikaans-Jemenitische Anwar al-Awlaki te laten doden, vond voormalig vicepresident Dick Cheney een compliment waard aan de president. Maar het was een compliment met venijn. Het was, zei hij gisteren, nu tijd voor de president om zijn excuses aan te bieden. „Niet alleen aan mij, maar aan de hele regering-Bush.”

Obama had, zo vindt Cheney, precies in de geest van de voormalige Republikeinse regering gehandeld door Awlaki te liquideren. Maar het waren juist acties als deze waar Obama zich als presidentskandidaat moreel van distantieerde. Cheney: „Nu moet hij zeggen dat hij het niet bij het rechte eind had.”

De Amerikaanse raket die vrijdag in Jemen een einde maakte aan het leven van Awlaki, heeft dit weekeinde veel debat losgemaakt in de Verenigde Staten.

Awlaki, ideoloog van Al-Qaeda-op-het-Arabisch-Schiereiland, was Amerikaans staatsburger. Hij werd op last van zijn eigen regering gedood zonder formele aanklacht, ver van het front, en op basis van strikt geheim gehouden informatie.

President Obama tekende vorig jaar, gesteund door het Congres, in feite Awlaki’s doodvonnis door de CIA toestemming te geven hem te liquideren. Tegen Awlaki is volgens de veiligheidsdiensten genoeg bewijs dat hij een drijvende kracht was achter de moordpartij in Fort Hood in 2009, en enkele mislukte terreuraanslagen. Zowel spiritueel als operationeel had Awlaki vanuit Jemen, althans volgens de Amerikanen, steeds een beslissende rol gespeeld.

Maar mag een regering zonder bewijs te laten zien een staatsburger doden? De kritiek komt met name van burgerrechtenorganisaties als de American Civil Liberties Union (ACLU). Volgens deze organisatie moet het bewijs dat Awlaki inderdaad een drijvende kracht achter terrorisme was, openbaar gemaakt worden. Robert Chesney, hoogleraar recht in Texas, zei dat Awlaki weliswaar een bedreiging was, maar dat zijn grondrechten geschonden zijn.

In Obama’s Democratische Partij klinkt ook kritiek, met name over het uitblijven van details. Jane Harman, oud-Congreslid en partijprominent, verwoordde het ongemak door te zeggen dat Obama snel de bewijzen moet laten zien die deze daad rechtvaardigen. De oorlog tegen terreur, een erfenis van Bush, zou Obama immers anders gaan voeren. Hij kondigde onder meer aan de gevangenis in Guantánamo Bay te sluiten, wat nooit gebeurde.

Het verschil met Bush blijkt in de praktijk niet zo groot. „Niemand vindt hem [Awlaki] aardig. Maar ik houd wel van de wet en de grondwet, die voorschrijft dat de regering niet zomaar burgers kan vermoorden”, zei de Republikeinse presidentsgegadigde Ron Paul tegen Fox News.

Het Witte Huis geeft geen details over de bewijzen tegen Awlaki, maar zegt dat hij contacten onderhield met majoor Nidal Malik Hasan, die in november 2009 een bloedbad aanrichtte op een legerbasis in Fort Hood, in Texas. Awlaki speelde volgens Washington ook een rol bij de poging van Umar Farouk Abdulmutallab, op 25 december 2009, om een vliegtuig bij Detroit op te blazen.

Anwar al-Awlaki (1971), geboren in New Mexico, was in zijn Amerikaanse jaren een bekende voorman van de islamitische gemeenschap. In 2002 mocht hij een gebed voorgaan in het Capitool, waar het Amerikaanse Congres zetelt.

Waar en waarom Awlaki radicaliseerde, is onduidelijk. Hij verliet de VS in 2002, en belandde in 2004 weer in Jemen. Daar slaagde hij er de laatste jaren in via internet een groot gehoor te bereiken. Hij zei veelvuldig dat het de plicht van iedere moslim is geweld te gebruiken tegen Amerika.

Jack Goldsmith, topjurist onder Bush, prees Obama voor zijn besluitvaardigheid. Awlaki vormde, zo schreef hij in The New York Times, een directe bedreiging voor de VS. „In oorlogstijd mag een president met het Congres besluiten nemen over oorlogsdaden. De president moet zijn land veilig houden. Dat heeft hij goed en voorzichtig gedaan.”