De Maori domineren op het rugbyveld

Rugby bepaalt mede de identiteit van de Maori in Nieuw-Zeeland. Ondanks negatieve aspecten laten ze zich graag voorstaan op hun dominantie binnen de sport.

Nu de kwartfinalisten bij het WK rugby in Nieuw-Zeeland bekend zijn, geldt het gastland als uitgesproken favoriet voor de wereldtitel. Met hun flair, precisie en pure kracht staat er vooralsnog geen maat op de All Blacks, die komende zondag spelen tegen Argentinië. Het succes van de ploeg hangt grotendeels samen met de inbreng van de spelers van Maori-afkomst. Hun invloed op het veld is enorm. Van de fameuze oorlogsdans tot het scoren van spectaculaire try’s.

Deze dominantie komt niet voort uit toevalligheid. Van oudsher vereenzelvigen de Maori zich met de sport, die een beschaafde voortzetting vormt van de tribale oorlogen die ze eeuwenlang onderling uitvochten. Om deze verbondenheid niet te laten vervagen heeft de rugbybond van Nieuw-Zeeland zelfs een aparte Maori-afdeling, waarvan een officieus nationaal team – omarmd door het hele land – al ruim een eeuw de blikvanger is.

Het bewijs daarvan hangt in een vitrine in het Auckland Museum. Het gitzwarte shirt met de zilveren varen op de borst lijkt op het eerste gezicht een replica te zijn van het beroemde All Black-tricot. Een nadere beschouwing leert dat het niet voor niets deel uitmaakt van een tentoonstelling. Het is een kunstwerk, vol mythologische symbolen, ter ere van het honderdjarige bestaan van het Maori-rugbyteam.

Tiki Edwards is een van de voornaamste krachten achter het initiatief. Met drie anderen bedacht hij het ontwerp, gebaseerd op een traditionele ontmoetingsplaats (wharenui) en een mantel (korowai), die alleen voor tribale leiders wordt gemaakt. Het design benadrukt de rijke traditie en wijst de spelers op hun plicht. Ze vertegenwoordigen niet alleen zichzelf maar ook hun voorgangers, stam en familie, wier geesten voor elk duel worden aangeroepen.

Kennis van de eigen achtergrond speelt een hoofdrol bij de Maori-bond. Geen speler kan uitkomen voor een vertegenwoordigend team, totdat de stamboom van hem of haar in kaart is gebracht. Deze whakapapa, die teruggaat tot de tijd dat de eerste bewoners van Nieuw-Zeeland in de vroege Middeleeuwen met kano’s het vaste land bereikten, moet tijdens elke samenkomst worden voorgedragen.

Edwards, als opleidingscoördinator belast met het scouten van spelers in de drie Maori-rugbyregio’s waarin Nieuw-Zeeland is opgedeeld, benadrukt dat van een separatistische of nationalistische ideologie geen sprake is. „We willen dat in de toekomst alle spelers van de All Blacks Maori zijn. Waarom de ploeg dan bestaat? Trots. Wij waren de eerste mensen hier, dit is ons land. Daarom willen we een team, dat we het onze kunnen noemen.”

„Rugby behoort tot onze cultuur”, vervolgt Edwards. „Als de ouderen zich vroeger binnen bezighielden met officiële aangelegenheden, speelde de jeugd vóór de marae met een bal of een schoen, als de eerste niet voorhanden was. Onze specifieke speelwijze komt daaruit voort: weinig ruimte voor tactiek, veel plek voor flair, hoge passes, schijnbewegingen en hardheid; van nature zijn we vechtjassen.”

Aan talent ontbreekt het niet. Tijdens het eeuwfeest versloeg het Maori-team achtereenvolgens Engeland, Ierland en een speciale selectie uit Nieuw-Zeeland. Edwards: „En het mooie is dat veel spelers van onze ploeg doorstromen naar de All Blacks. Sla de boeken er maar op na. Alle grootheden, op Jonah Lomu en Colin Meads na, waren Maori. Dat moet zo blijven. Door dergelijke rolmodellen gaan kinderen rugby spelen. Zij willen hun voorbeelden volgen.”

Corey Flynn, die figureert in een filmpje over de historie van het Maori-team in het Auckland Museum, behoort tot de WK-selectie van Nieuw-Zeeland. Zijn nadrukkelijke aanwezigheid in de documentaire geeft aan, dat de raciale lat niet hoog wordt gelegd. Niemand hoeft een grote affiniteit met het verleden te hebben om het volk te representeren. Flynn, zo erkent hij ruiterlijk, wist voor zijn uitverkiezing vrijwel niets van zijn afkomst.

De hooker, uitkomend voor The Canterbury Crusaders uit Christchurch, ging als kind niet naar een Maori school of rugbyclub, sprak de taal niet, kende de mythologie alleen van horen zeggen en kreeg thuis geen onderricht in de tradities. Toen hij zich in 2002 voor het eerst bij de Maori selectie aansloot in Rotorua, ging er een wereld voor hem open.

„De omgeving deed familiair aan. En voor iemand als ik, opgegroeid in Invercargill, gelegen op het zuidelijkste puntje van het Zuidereiland, was het contrast enorm. Zo levend en zichtbaar was de Maori cultuur daar. Je hoorde de taal elke dag, leerde het zelfs een beetje spreken. Sindsdien waardeer ik het erfgoed van de Maori veel meer. Al draag ik nog steeds geen moko [tribale tatoeage].”’

Vanuit Dunedin klinkt een minder ronkend geluid. Bijzonder hoogleraar Brendan Hokowhitu van de faculteit Maori Studies van de universiteit van Otago reageert minzaam op de lofzang op de bindende factor die rugby met zich meebrengt. Hoewel Maori al lang geen gemarginaliseerde groep meer vormen, moet aan hun positie in de maatschappij flink geschaafd worden, stelt hij. „De toegang tot goede scholing en banen staat open. Maar de verandering in de hoofden van de Maori zelf moet nog grotendeels plaatshebben. Noem het een overblijfsel van het koloniale denken. Onze overgrootouders groeiden op met de wetenschap, dat ze tot de lagere klassen van de samenleving behoorden. Een uitweg was er niet. Nu, in een veranderde wereld, is die er wel, maar dat besef moet nog wortel schieten.”

Hokowhitu plaatst rugby in hetzelfde schijnsel. „Vanuit historisch perspectief is de sport inderdaad belangrijk. Het gaat terug tot de jachtvelden, behoort tot onze cultuur. Maar er is meer. Maori konden vroeger alleen op het rugbyveld op gelijke hoogte staan met de Pakeha, Nieuw-Zeelanders van Europese origine. Het respect en de prestige die daarbij hoorden, zorgden voor alom gerespecteerde atleten, maar ook voor het stereotiep van de onbehouwen Maori waaraan jongeren zich spiegelen.’

Liever ziet Hokowhitu, dat Maori structureel sleutelposities in de maatschappij verwerven in plaats van uitgroeien tot held van het nationale team. „Liever een succesvolle zakenman, een directeur van een luchtvaartmaatschappij, een academicus of een schrijver dan wéér een All Black. Dat zijn betere rolmodellen.” Al is een wereldtitel ook leuk.