Zelf bonen opwarmen in de vrije natuur

Zou Alfred Nobel zelf een Nobelprijs hebben kunnen krijgen voor de vondst waarmee hij de springstof nitroglycerine wist te temmen? Volgens de voorwaarden die hij in zijn testament aan de prijs verbond waarschijnlijk wel. Het moest een recente ontdekking zijn die ‘the greatest benefit to mankind’ bracht. Het hoefde niet per se een wetenschappelijke doorbraak te zijn, het hoefde niet tot diep theoretisch inzicht te leiden, als het maar van nut was.

En dynamiet is, tot nog effectievere explosieven op de markt kwamen, op enorme schaal gebruikt in de open mijnbouw en voor het aanleggen van wegen en tunnels. Het hele wilde westen van Amerika is met dynamiet ontsloten.

Achteraf valt lastig vast te stellen hoe moeilijk of oorspronkelijk het was om te bedenken dat het vloeibare nitroglycerine, dat al ontplofte als je ernaar wees, zijn gevaar verloor maar zijn bruikbaarheid behield als je het liet opzuigen door zaagsel, zand of klei. Of, wat uiteindelijk de voorkeur kreeg, de befaamde diatomeeënaarde, het kieselguhr dat bij Hamburg in de grond zat.

Hoe knap is de goede inval, hoe knap de toevallige vondst. Veel krachtige geneesmiddelen worden gemengd met inert materiaal om ze beter hanteerbaar te maken en de Italiaan Ascanio Sobrero had nitroglycerine in de eerste plaats gesynthetiseerd als geneesmiddel. Wat het ook bleek te zijn, het is een probaat middel tegen angina pectoris. Benauwdheid op de borst.

Het is niet bij dynamiet gebleven. Ook door andere springstoffen zijn onschuldige stoffen geroerd. Als je explosieven mengde met bijenwas kreeg je een ontplofbaar goedje dat in elke vorm was te kneden. Kneedbommen dus. Wie wil kan zijn springstoffen ook opnemen in gelatine of een andere gel. The sky is the limit.

Afgelopen week is geprobeerd te achterhalen waarop de Nederlandse soldaat-te-velde rond 1968 zijn bonen moest opwarmen. De gevechtsrantsoenen die aan hem werden uitgereikt voor het gevecht beginnen moest waren pakketten waarin je de leukste dingen tegenkwam. Blikjes jam en smeerkaas, vruchtentabletten, sigaretten, crackers, poederkoffie, poederthee, poederlimonade, chocola met biscuitkruimels, van alles. Maar ook legergroene brandstofblikken gevuld met een dikke gelei die naar spiritus rook.

De sterke kant van die grijze gelei was dat hij praktisch onzichtbaar brandde, de vijand zag niks. De zwakke kant was dat hij geen hitte gaf, de soldaat rekende liever op veldkeuken of de rijdende kantinedienst. Waaruit bestond die onbruikbare brandstof? Internet zwijgt. Het schijnt dat ze in algemene zin wordt aangeduid met ‘gel fuel’ of ‘fuel gel’ en dat het Amerikaanse leger er nog steeds bij zweert. Het brandbaar bestanddeel is dan isopropylalcohol of di-ethyleenglycol. Over de gel lees je niet veel.

Van het een kwam het ander. Tijdens de speurtocht verscheen opeens een plaatje op het scherm van een oud conservenblik dat voor een kwart was gevuld met een mengsel van zand en benzine. ‘Mix petrol with sand and burn in ventilated tin’, was één van de tips voor de reiziger die in verlaten streken was verzeild geraakt zonder bruikbaar kookapparaat. Wie een kan benzine en een conservenblik bij zich had hoefde toch niet te verkommeren.

Het sprak tot de verbeelding, want de kans dat de rugzakreiziger in de vrije natuur komt te zitten mét een fles benzine maar zónder werkende benzinebrander is helemaal niet zo klein. De brander kan verstopt raken, hij kan een onderdeeltje verliezen, of hij kan gaan lekken. Dan schieten koffie en warm eten erbij in en gaat de natuur snel vervelen.

Nooit bij stilgestaan dat een appelmoesblik met zand ook als kookapparaat kan dienen, dus snel de proef op de som genomen. Na wat gehannes bleek dat zo’n blikje waarin Albert Heijn tomatenpuree verkoopt groot genoeg is.

Een paar eetlepels droog Maaszand van de aquariumwinkel, een scheutje wasbenzine van het merk Coleman, een vlammetje en de rest ging vanzelf. Er ontstond een wakkelend vuurtje dat wel 8 minuten brandde als 7 ml benzine was gebruikt. Daarop raakte 200 ml water van 17 graden naar 70 graden, net genoeg voor thee of soep. Het is een rendement van ongeveer 20 procent, dus tamelijk belabberd vergeleken met de 50 procent die een goede benzinebrander haalt. Maar het is een rendement.

Twee keer, drie keer naar het vlammenspel gekeken. Toen rees de vraag: waar is dat zand eigenlijk goed voor, zou het ook zonder zand kunnen, en, jawel, het kón zonder zand, het maakte geen enkel verschil.

De volgende gedachte kwam nog sneller. Kon het ook zonder blik? Mét zand, wel te verstaan. De meeste reizigers vinden in het veld meer zand dan conservenblikken. En verdoemd: dat ging ook. Je maakte een dikke pap van zand en benzine, schepte daarvan een volle lepel op de grond en stak het zaakje aan. Er was veel rook en smook maar het brandde nog beter dan in dat pureeblik.

Zonder blik, zonder zand? Hoe zou Nobel dat gedaan hebben. Met zout ging het ook uitstekend. Nog beter: tarwebloem. Brinta! Je maakt het aan met benzine, legt een klodder op de grond en klaar is het kookapparaat. Het mooie is dat het meel gaat meebranden. Het brood van het twaalfuurtje, ook! Wie wil nog gewoon koken.

Enthousiaste lezer! U staat nu op het punt dit experiment na te doen. Bedenk goed: die Coleman fuel en andere benzines branden als de hel en voor je het weet zit er nog benzine aan handen of eetlepel. Don’t try this at home. Doe het buiten of doe het niet. Of probeer het eens met suiker of zaagsel, want dat moet nog.