We leven in een grimmige samenleving

De meest gevraagde criminoloog van Nederland nam gisteren in Tilburg afscheid als hoogleraar. Cyrille Fijnaut blijft boeken schrijven en zijn ongezouten mening geven. „De aanpak van politie en justitie bij gewapende overvallen grensde tot voor kort aan straffeloosheid.”

Blind typen

„Ik ben een gretig mens. Ontembaar nieuwsgierig. Mijn grote arbeidsdiscipline helpt me om niet in chaos te vervallen. En ik heb een sterk gestel. Ik kan toe met vier, vijf uur slapen. Om tien uur ’s avonds begin ik aan mijn vierde dagdeel.

„Collega’s hebben wel gezegd: ‘Jij loopt ons allemaal uit de koers. Je hebt zoveel dagen meer per jaar. Met jou valt niet te concurreren’.

„Mijn bibliografie beslaat 51 bladzijden, het is waar. Ik heb zowel in Nederland als België veel onderzoek gedaan in commissies die door de overheid waren ingesteld. Zoals naar het falend politiebeleid bij de Bende van Nijvel, de zaak-Dutroux, de zware, georganiseerde misdaad, de beveiliging van Pim Fortuyn. Ik houd veel lezingen.

„Ik lees ook nog buitengewoon snel. Ik heb een akelig goed geheugen. Op de Politieacademie heb ik geleerd blind te typen met tien vingers. Daar profiteer ik nog alle jaren van. Om het jaar moet ik het klavier van mijn pc vernieuwen. Omdat ik de letters eruit geslagen heb.

„Ik heb snel een goed beeld hoe ik iets moet aanpakken: van A tot Z. Ik heb een groot constructief vermogen. Ik begin een boek met het voorwoord. Ik weet precies hoe het verder gaat.

„Maar mensen moeten mij niet groter maken dan ik ben. Dat doe ik zelf ook niet. Als je met een goddelijk oog naar mijn werk kijkt, zie je het niet eens.”

Bakerpraat

„Orfeus. Die naam hebben Marij en ik aan onze oudste zoon gegeven. Een veruitwendiging van hoe wij naar het leven keken en de wereld die wij wilden bouwen. Op foto’s uit zijn eerste levensjaren zie je een heel mooi kind.

„Met twee, drie jaar viel ons op dat hij toch wel erg traag was op een aantal fronten. Kinderartsen komen dan met bakerpraatjes: ‘Jongens zijn altijd trager dan meisjes.’ Daar laat je je dan door in slaap sussen.

„Hij was vier toen de verschillen met leeftijdgenoten niet meer te ontkennen waren. In motoriek, spreekvaardigheid, handvaardigheid, begrip van situaties. Ik ging te rade bij collega’s van de Katholieke Universiteit van Leuven waar ik indertijd werkte. Wat een onzin die vertellen! Hoe ze het over de lippen krijgen. Wat een schandaal dat zo iemand professor geworden is. Dan kijk je eens van de andere kant naar de universiteit. Dan zie je hoeveel schijnwetenschap er wordt bedreven en ook nog met een zekere pedanterie wordt verkocht.”

Vuile was

„We hebben meteen gezegd: we gaan ons niet naar zijn handicap gedragen. Dan wordt hij dubbel gehandicapt. We doen alles om hem binnen zijn beperkingen te laten evolueren. Zodat hij mee kan in de wereld waarin hij leeft.

„Tot zijn 21ste hebben we hem bij ons gehouden. Hij is nu 40. Hij belt ons twee, drie keer per dag. We prijzen ons nog elke dag gelukkig dat hij met puike begeleiding al tien jaar in de klussenploeg zit op het militair vliegveld Gilze-Rijen. Hij haalt oud papier en vuile was op. Hij schoont het bos. Als militairen terugkomen uit Afghanistan, zet hij de stoelen klaar. Hij is goedgemutst en beresterk.”

Biefstuk

„Ik heb altijd op drie niveaus gewerkt. Er zijn vijf, zes grote onderwerpen waar ik mijn hele leven al mee bezig ben. Politie en justitie, zware criminaliteit, kansspelenbeleid. Dat is de onderstroom. Daarbij gaat het om projecten van vier, vijf jaar. Dat noem ik de biefstukken.

„Dan heb je de middenstroom. Projecten van een jaar: een boekje, een brochure, een rapport, een onderzoekscommissie. Resteren: de kleine stukken. Artikelen, bijdragen. Dat noem ik het gehakt. Daar kun je vrij veel van produceren.

„Een echte wetenschapper moet alle drie de registers bespelen. Hij moet de guts hebben om lange jaren onderzoek te doen. Ik wantrouw de stukjesschrijvers. Hoogleraren die nooit boven hun proefschrift uitstijgen. Het Grote Werk komt nooit. Stukjesschrijvers zijn vaak repetitief. Ze schaatsen over alles heen. Je hoort op de universiteit niet thuis als je nooit biefstukken bakt.”

Mooiweerstrategen

„Dat dit kabinet de stap heeft gezet naar een nationale politie, daar ben ik blij mee. Maar ik wacht met juichen totdat duidelijk is hoe de nationale politie wordt ingericht. Dat is de lakmoesproef.

„Het huidige bestel heeft gefaald bij de bestrijding van zware, georganiseerde misdaad, zoals overvallen en vrouwenhandel. En bij ordehandhaving, zoals bij de rellen in Hoek van Holland. Is de nieuwe organisatie daarop toegerust? De goede politiemensen en goede officieren van justitie koesteren hoge verwachtingen. In het huidige bestel kunnen ze hun taak onmogelijk naar behoren vervullen. Zij zijn beter dan het systeem waarin ze moeten werken.

„Ik pleit al jaren voor een nationale politie. Ik heb de politieleiding gezegd: ‘Jullie zijn te veel mooiweerstrategen. Jullie koesteren een wereldbeeld en een politiebeeld dat niet meer aansluit bij de realiteit. Jullie moeten er juist staan bij slecht weer. De samenleving heeft jullie dan het hardste nodig.’

„Vorige regeringen durfden het conflict met de korpsbeheerders niet aan. Ik heb gezegd: ‘Wacht niet tot je hier Belgische toestanden krijgt’. Ik had gezien hoe de Bende van Nijvel en de zaak-Dutroux de geloofwaardigheid van de Belgische rechtsstaat ondermijnden.

„Mijn overtuiging: in een democratische rechtsstaat is het onder normale omstandigheden haast onmogelijk tot fundamentele veranderingen in het politiestelsel te komen. Je krijgt er geen achterban voor. Alleen maatschappelijke breuken, botsingen, schandalen kunnen die blokkade doorbreken. Dat is wat er de afgelopen jaren in Nederland gebeurd is. Nederland is de grote klap van een zaak-Dutroux bespaard gebleven. Nederland heeft wel veel kleine klappen gehad. De aanpak van politie en justitie bij gewapende overvallen grensde tot voor kort aan straffeloosheid.”

Intimidatie

„We leven in een grimmige samenleving. Economisch, financieel, sociaal. Empirisch onderzoek op de universiteit naar zware georganiseerde misdaad is op deelterreinen niet meer mogelijk wegens de persoonlijke risico’s voor onderzoekers. Dan gaat het om civiele procedures, intimidatie, chantage of erger. Voorbeelden wil ik niet noemen. Dan wordt meteen duidelijk hoe ik me tegen die dreiging verweerd heb. Ik kan alleen zeggen op basis van mijn ervaringen de laatste vijfentwintig jaar: het zijn geen ingebeelde risico’s. Ik ben niet bangelijk.

„Nederland is geen Colombia of Zuid-Italië. Toch heb ik in mijn afscheidscollege gewezen op die risico’s voor onderzoekers. Om te voorkomen dat de samenleving onrealistische verwachtingen heeft van het universitair onderzoek naar zware misdaad. Om politie en justitie aan te sporen. Zij kunnen dat soort onderzoek wel doen. Ze werken veel te kortademig. Van het middel van het verkennend onderzoek maken ze zelden gebruik.”

Witte boorden

„Criminologie is van oudsheronderklassecriminologie. Gericht op gewone misdaad: vermogens-, gewelds-, zedendelicten. Ze gaat vaak voorbij aan veel ernstiger vormen van criminaliteit: georganiseerde misdaad en organisatiecriminaliteit. Legale bedrijven plegen organisatiecriminaliteit om de kosten te drukken en winsten te vergroten.

„De Amerikaanse criminoloog Edwin Sutherland heeft daar met zijn geweldige boek White collar crime in 1949 de aandacht op gevestigd. Hij liet zien dat de 70, 80 grootste Amerikaanse bedrijven allemaal een geschiedenis hadden van wetsovertredingen op alle fronten en dat de maatschappelijke schade die ze hadden aangericht gigantisch was. Hun optreden was misdadig. Maar ze hadden de macht om ervoor te zorgen dat hun gedrag niet als misdrijf behandeld werd.

„Dat geldt in onze tijd nog sterker. Kijk wat er in de financiële sector is gebeurd. Ik pleit voor een criminologisch onderzoeksprogramma op dit terrein.”