Tatoeages overal - dat zijn zíj

Geert Mak noemde de Amsterdamse Scheldestraat twintig jaar geleden een waterscheiding tussen arm en rijk. Aan de arme zijde zou de helft van de allochtonen werkloos worden. Rinnooy Kan was het met hem eens. Wij intellectuelen zijn de bron van overbodige angsten, schrijft Coen Teulings

Als jongen van vijftien gooide ik krantjes in de Rivierenbuurt. De ochtendkrant was te vroeg voor mij, ik gaf de voorkeur aan de avond. Iedere middag ging ik naar de sigarenzaak van Martin van der Kwartel in de Amsterdamse Scheldestraat. Daar lag dan een stapel NRC’s voor me klaar.

Martin van der Kwartel bestierde zijn leger krantenbezorgers met ijzeren hand. Voor iedere klacht kreeg je een kwartje boete. Dat was een zware aderlating bij een schamel weekloon van 15 gulden. U weet wel, dat was die goede oude tijd van voor de euro.

Ruim 15 jaar later, in 1991, kruiste Van der Kwartel opnieuw mijn pad. In diezelfde NRC publiceerde Geert Mak toen namelijk een artikel met de titel ‘Een herfstmiddag in de Scheldestraat’.

Mak liet ook mijn oude sigarenman, Martin van der Kwartel, aan het woord. Van der Kwartel kreeg dagelijks wel vijfhonderd mensen over de vloer, zo wist Mak. Hij kende ze allemaal. Vanzelfsprekend wist hij van iedereen wat ze rookten.

Van der Kwartel had zijn klantenkring in de loop der jaren zien veranderen. Vroeger, ja vroeger, toen ging het nog ergens over: over de opvoeding van de kinderen, of over de zin van het leven. En iedereen kwam op zaterdag. Door de week werd er toen immers nog gewerkt.

Tegenwoordig, we spreken nu dus over 1991, heeft iedereen een snelle auto en een draagbare telefoon. Op vakantie gaan we steeds vaker; twee, drie, of wel vier keer per jaar. De fietsenwinkel verkoopt nu vooral mountainbikes. De eerste saladebars zijn in het straatbeeld verschenen.

Kortom: het ik-tijdperk had in 1991 zijn intrede gedaan.

Voor Geert Mak was de Scheldestraat de flessenhals van Amsterdam, of misschien beter, de waterscheiding tussen arm en rijk. Op Zuid het chique Buitenveldert en Amstelveen. En op Noord, over de brug van het Amstelkanaal, lag de Pijp. Daar begon Sodom en Gomorra. De Scheldestraat als het laatste bastion van welvaart en voorspoed. En bij de brug de frontlinie met een nieuw Amsterdams Harlem. Krakers, zwartwerkers, simulanten, illegalen, jeugdgangs, en criminelen.

Wees u ervan verzekert: ik citeer Mak hier letterlijk. De invented poor worden deze categorieën in de Amerikaanse sociologie genoemd, opnieuw volgens Mak. Figuren die geen gewone mensen meer zijn, maar projecties van de angsten van de Bijenkorf en de Bonneterie.

En dan komt de cruciale overgang in Maks artikel: „Die angsten komen niet uit de lucht vallen. Er verschijnen steeds meer wolken aan de horizon van de Scheldestraat. Want aan de andere kant van de brug trekt het stevig dicht.”

Er zijn dan 70.000 werklozen in Amsterdam, van wie meer dan een kwart niet-westers allochtoon. Dat geldt ook voor bijna de helft van de Amsterdamse schooljeugd. Rond 2005 zal de helft van de bevolking van de hoofdstad uit allochtonen bestaan. Als het wat tegen zit op de arbeidsmarkt zal in 1995 bijna de helft van die allochtonen werkloos zijn.

Inderdaad: wie met een verrekijker vanuit het terras op de Scheldestraat naar die andere wereld aan gene zijde van het Amstelkanaal tuurt, ziet daar donkere donderwolken samentrekken. Er is daar storm op til. En dan die voorspelbare en gerechtvaardige angst: als het onweer straks losbarst, houden we die horde dan wel aan de gene zijde, of wordt ook onze mooie wereld erdoor bedreigd?

Zo dacht Mak in 1991. Tien jaar later, op 11 september 2001, bleek die angst volkomen terecht. Bleek dat zo? Of leek het zo?

In een mooi boekje, The Geopolitics of Emotion, karakteriseert Dominique Moïsi wordt het politieke klimaat in een aantal continenten gekarakteriseerd aan de hand van basale emoties. Azië is het continent van de hoop. Na twee eeuwen van achteruitgang en statusverlies, is dat werelddeel nu terug op de kaart. Alles schijnt te lukken, en dat wat niet lukt – de Aziëcrisis van 1997/1998 – waait snel weer over.

De islamitische wereld is het continent van de vernedering. Van de dominantie van de islamitische cultuur, van het Alhambra tot de welvaart van Istanbul, dat alles is nu al eeuwen op zijn retour. De bevolking van de islamitische wereld groeit als kool. Maar hun leiders hebben de nieuwe generaties weinig te bieden. Frustratie over de verloren posities voeren de boventoon.

Het Westen, Amerika en Europa, is het continent van de angst. In 1930 nam het Westen nog 85 procent van de wereldproductie voor zijn rekening. Vijf-en-tachtig. Toen was er voor de hele rest van de wereld dus slechts 15 procent beschikbaar. In 1990 is dat aandeel teruggezakt van 85 procent tot 50 procent, en zoals we allemaal weten gaat die neerwaartse trend onverminderd door.

Angst? Ja, vanzelfsprekend. Het continent dat de wereld 200 jaar lang zo ongekend zijn wil heeft opgelegd, dat continent heeft veel te vrezen. Het kan alleen maar verliezen.

David van Reybrouck, de auteur van het dikke boek Congo, dat boek met de foto van een stokoude neger met ondoorzichtige brilleglazen op de cover, heeft ook een klein boekje geschreven onder de titel ‘Pleidooi voor populisme’.

Ook Van Reybrouck schrijft over wij en zij, maar een andere wij en zij. Beiden zitten op het terras aan deze zijde van het Amstelkanaal maar verschillen toch hemelsbreed. „Kijk!” Vanuit zijn vakantieflat in een Belgische badplaats kijkt hij met zijn vrienden naar het voorbijschuivende publiek beneden op de boulevard. Te dikke pensen, lebberend aan ijsjes, geblondeerd haar, kinderen met obesitas, tatoeages overal. Dat zijn zíj. De familie Flodder live. Met een toegangspoort tot de universiteit als waterscheiding. Reybrouck en zijn intellectuele vrienden, vaak ook nog gepromoveerd, keken vanuit die vakantieflat letterlijk op hen neer.

Zij, die mensen op de boulevard, zijn door de Utrechtse hoogleraar Mark Bovens de moderniseringsverliezers genoemd. Zij hebben immers het meest te vrezen van de nieuwe tijd. Hun positie wordt het meest bedreigd door de golf van globalisering die over de wereld trekt. De Chinezen nemen hun banen over. Computers maken hun werk overbodig.

Zij hebben als eerste last van die donkere donderwolk aan de andere zijde van het Amstelkanaal. Zij zijn bang, en dat is op zichzelf best te begrijpen. Het is hun angst die leidt tot een golf van populisme in de westerse wereld, aldus Van Reybrouck. Vandaar zijn pleidooi.

Is dat zo? Waren alleen zij bang? Of zijn wij dat ook?

Ik ga terug naar 11 september 2001. New York. En daarna Londen en Madrid. Wat dacht ik toen? Ik wisselde toen van gedachte met diezelfde Mark Bovens over wat de toekomst ons brengen zou. Ons leek toen Amsterdam een logisch volgend doelwit voor de islamitische terreur. Wij waren bang. Ook wij.

In mijn vak leer je hoe moeilijk voorspellen is. Zeg nooit nooit. Toch: Amsterdam als volgend slachtoffer van een islamitische aanslag? Het lijkt me nu onwaarschijnlijk. De oorverdovende stilte in de islamistische wereld na de executie van Osama Bin Laden heeft mij toch getroffen.

Of neem een gesprek dat ik een jaar of vijf terug had met Alexander Rinnooy Kan. Hij was het eens met Geert Mak. Aan gene zijde van het Amstelkanaal kon het alleen van kwaad tot erger gaan. Vooral die Marokkaanse jongens. Die groeiden op voor galg en rad.

Voorzichtig wierp ik tegen dat het opleidingsniveau van niet-westerse allochtonen verrassend snel steeg, zelfs bij die Marokkaanse jongens. En dat hun participatie op alle onderwijsniveaus – tot aan de universiteit aan toe – snel toenam.

„Ik help het je hopen”, was zijn antwoord. Anders gezegd: hij geloofde er geen snars van. Scheffers multiculturele drama was voor hem het gestolde referentiekader.

Ik weet niet of hij de cijfers er sindsdien nog eens op heeft nageslagen. Want ik wist toen waarover ik sprak. En ter voorbereiding van mijn preek heb ik de statistiek nog eens bekeken: de opgaande lijn is nog steeds ononderbroken.

Natuurlijk is in Amsterdam-West niet alles koek en ei. Maar zoals Paul Schnabel het zo mooi kan zeggen: „In de jaren tachtig was het beeld van de multiculturele samenleving mooier dan de werkelijkheid, nu is het andersom, nu is de werkelijkheid mooier dan het beeld.”

Gaat u mee terug naar de Scheldestraat. Het aantal terrasjes en saladebars is sinds 1991 alleen maar toegenomen. Maar dat geldt ook aan de gene zijde van het Amstelkanaal. Tussen de donkere wolk uit 1991 zijn er wat opklaringen gekomen.

Angst gaat niet alleen over de islam, of over de bedreiging van hordes niet-westerse allochtonen. Het is veel breder; angst voor de globalisering, angst voor anderhalf miljard Chinezen – Arie van der Zwan kan daar zo beeldend over spreken. Of angst voor Europa. Ik laat die angsten maar even rusten, maar daarvoor geldt een soortgelijk verhaal. Wij voelen ons bedreigd. Wij, niet alleen zij.

Waar komt onze angst toch vandaan? Het antwoord mag duidelijk zijn: Geert heeft het gedaan. Om misverstanden te voorkomen: zijn achternaam is Mak.

Ik heb hier tegen eigen parochie gepreekt. Wij, intellectuelen, zijn de bron van de angst voor de ondergang van het Avondland. Angst is meestal een weinig productieve emotie.

Coen Teulings is Amsterdammer, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het Centraal Planbureau. Dit is de tekst van een van de preken, gehouden bij het 225-jarig bestaan van de Kleine Komedie in Amsterdam.