Nieuwe dingen ontstaan uit oude kennis

Viltkunstenares Claudy Jongstra schept cultuur uit natuur, met wol, geverfd dankzij bloemen en bijen. „Mensen hebben prachtige carrières, maar de binding met de natuur zijn ze kwijt.”

Claudy Jongstra praat als een kunstenaar. Dat is zij ook. Ze zegt: „Ik maak een zoektocht naar het diepe innerlijke weten.” Marleen Engbersen is haar … ja, wat eigenlijk? Haar manager, coach, klankbord? Er bestaat geen woord voor. Toch werken zij, zonder etiket of functieomschrijving, al vijftien jaar samen. Engbersen beheerst de taal van strategie en zakendoen. Ze zegt: „Bouwen, bouwen, bouwen.” En: „Focus, focus, focus!”

Behalve kunstenaar is Claudy Jongstra (1963) een merk – een sterk merk inmiddels. De afgelopen tien jaar is zij uitgegroeid tot een van de grote namen in de school van ‘Dutch design’, van toegepaste kunst, die internationaal naam heeft gevestigd dankzij werk van onder anderen Rem Koolhaas, Hella Jongerius, Marcel Wanders en Victor & Rolf. Jongstra maakt wandtapijten, vaak tientallen vierkante meters groot. Vilt, gemaakt uit schapenwol, is haar basismateriaal.

Werk en werkwijze van Claudy Jongstra maken visioenen los uit een postmoderne wereld, waarin zachte kunst samengaat met een hard agrarisch bestaan, filosofisch denken met ambachtelijk doen, artistiek ronddwalen met praktisch handelen.

Is dat wat de huidige tijdgeest vraagt? Zou dat het internationale succes verklaren van Jongstra, die grootse werken heeft gemaakt voor het Catshuis in Den Haag en Lincoln Center for the Performing Arts in New York en nu opdrachten uitvoert voor het nieuwe Fries Museum in Leeuwarden en de Barnes Collection in Philadelphia, een van de rijkste particuliere schilderijenverzamelingen in de wereld?

In het werk van Jongstra zit een lijn. Een eigen kudde van tweehonderd Drentse heideschapen staat aan het begin van die lijn. Inmiddels heeft de draad zich ontsponnen tot in het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York, waar zij in maart exposeerde. Een ontmoeting met VN-directeur Amir Dossal in 2009 leidde ertoe dat zij tot dit wereldpodium kon doordringen. Dossal is degene die circa 1,6 miljard dollar bij elkaar heeft gelobbyd voor het particuliere VN-fonds dat circa vijfhonderd projecten voor duurzame ontwikkeling financiert dankzij schenkingen van mediamagnaat Ted Turner en bedrijven als Coca-Cola en Vodafone.

Komende winter is Jongstra’s werk te zien bij het World Economic Forum in Davos. Het prestigieuze Bennington College voor ‘liberal arts’ in Vermont (VS) heeft werk van haar aangekocht voor een vorige maand geopend nieuw studiecentrum. Het biedt „opleidingen voor nieuw burgerschap en nodigt studenten uit de meest nijpende wereldproblemen te bestuderen en deze tot focus van hun academische werk te kiezen”. De voorzitter van Bennington, Elizabeth Coleman, is bevriend met Al Gore en Bill Gates, die gastcolleges in dit centrum zullen geven.

Het werk van Jongstra ontstaat in een klein dorp in Noordwest-Friesland, Spannum, met nog geen driehonderd inwoners. Een kerkje op een terp, een hoofdstraat, een enkele zijstraat – meer is het niet. Eén straatje zou er Claudy Jongstrastraat kunnen heten, met een huis dat fungeert als kantoor en wolververij, haar woonhuis, een houten ontwerpstudio en een schuur voor de productie van de wandtapijten.

„Voor mijn gevoel ben ik halverwege in mijn ontwikkeling als kunstenaar”, zegt Jongstra. „We zijn aangekomen op een punt waar we jarenlang stap voor stap naartoe hebben gewerkt”, zegt Marleen Engbersen.

Jongstra en Engbersen vlechten de woorden connections en verbindingen maken voortdurend door hun verhaal. Jongstra: „Mijn werk staat nooit op zichzelf. Het maakt verbinding met gebouwen waarvoor ik het ontwerp en wil iets losmaken bij de mensen in die gebouwen. Volgend jaar ga ik samen met dansers aan een Amerikaanse universiteit, Dartmouth in New Hampshire, een balletvoorstelling maken. Met podiumkunst, met architectuur, – op allerlei manieren zoek ik connections.”

Romantisch kunstenaar leeft voor de kunst en hoopt ervan te kunnen leven. Jongstra en Engbersen volgden een andere strategie. Hun samenwerking is een permanente zoektocht naar een markt. Voor wie willen ze werken? Waar moet het werk z’n plek vinden? Engbersen: „We richten ons op kennisinstituten als scholen en universiteiten, op zorginstellingen, innovatieve bedrijven en politieke gebouwen.”

Waarom? Jongstra: „Ik verbind natuurhistorie en cultuurhistorie en dat vergt permanent studeren. Ik wil leren van de mensen met wie en voor wie ik werk. Omgekeerd hoop ik dat zij samen met mij ook iets willen leren. Het grootste effect kun je dan verwachten in onderwijs, wetenschap, cultuur, zorg en politiek.”

Geen l’art pour l’art, nee, kunst met een missie. Welke? Jongstra vertelt over een ‘zomerklas’ die ze sinds enkele jaren geeft op een landgoed in Umbrië, in een franciscaanse omgeving van kale kamers met een peertje aan het plafond. Met twintig mensen uit de hele wereld werkt ze daar: Amerikanen, Argentijnen, Japanners, musici, artsen, psychiaters, ondernemers. „De hele week zijn we bezig met natuurlijke materialen. Met zelfgeplukte bloemen verven we wol en linnen, in ketels op open vuur van zelf gesprokkeld hout. Tijdens het werk ontstaan de gesprekken. Mensen zijn de directe binding met de natuur kwijt en missen sociale structuren. Ze zijn stomverbaasd om te zien hoe je cultuur schept uit natuur. Ze hebben drukke levens, prachtige carrières, maar ze ervaren een enorme leegte om zich heen: van oppervlakkigheid, van jachtig consumeren.”

Terug naar de natuur dus met z’n allen? Engbersen: „Nee! We zijn geen retrobeweging. Het is juist de kunst om nieuwe dingen te creëren uit oude kennis en ambachtelijkheid. In de bouwkunst ontwikkelt zich een fascinerende stroming van healing architecture. Zowel de natuurlijke als de bebouwde omgeving beïnvloedt gedrag van mensen. Wij streven ernaar bezieling en waarachtigheid in ons werk te leggen en op mensen over te dragen.”

Jongstra leidt in Spannum een bedrijf met zeven vaste medewerkers en circa vijftien freelancers. Ze maken vilt uit wol en spinnen de draden waarmee Jongstra haar kunstwerken maakt. Het materiaal krijgt kleur dankzij bloemen die in Jongstra’s opdracht worden verbouwd. Bijenvolkjes en imkers moeten ervoor zorgen dat de bloemen elkaar bevruchten.

Jongstra: „Ik ervaar de ontwikkeling van mijn werk als continu cadeautjes uitpakken. In het verleden ligt zo ongelofelijk veel kennis besloten: botanische kennis, ambachtelijke kennis. Voor mij opent dat een wereld achter de waarneembare wereld. En ik ben ervan overtuigd dat deze duik in het verleden ook weer kennis oplevert om duurzame productiemethoden te ontwikkelen.”

Concreet? Engbersen: „FeikeSijbesma, de topman van chemieconcern DSM, is een van de grote bewonderaars van Jongstra’s werk: van haar kunst, het productieproces en onze strategie. Hij zegt: van jullie manier van werken kan een bedrijf als DSM veel leren. We zullen echt weer diep in het wezen en de mogelijkheden van natuurlijke hulpbronnen moeten duiken om de toekomst van deze planeet veilig te stellen.”