Natuur als tomtom

Navigeren door naar bomen, mossen en de wind te kijken. Tristan Gooley schreef een survivalgids voor mensen zonder tomtom.

an welke kant de wind komt? Het gezelschapje, merendeels middelbare, en merendeels Amerikaanse dames en heren op de stoep van de Travel Book Shop draait het hoofd collectief naar rechts en wijst. Door het Londense straatje waait het inderdaad pittig. „Dáár vandaan.”

„O ja?”, grijnst de man voor wie ze gekomen zijn. „Kijk eens omhoog.”

Een grijs wolkendek schuift langs de hemel. Niet van rechts naar links, maar haaks op de windrichting in de straat. „Huizenblokken sturen de wind”, zegt hij. „Maar daarboven zie je hoe het écht waait. Uit het noorden. Maar, rara, hoe kan ik weten waar het noorden is?”

Hij is Tristan Gooley, beroepswandelaar, oceaanzeiler, piloot, schrijver. Hij brengt de meeste tijd door in het vrije veld en op zout water. Maar deze middag geeft hij, met een halve baard, gebruinde kop en iets achteloos van linnen aan, een minicursus ‘overleven in de stad’.

Wie in de heuvels van Wales zou verdwalen, kan zonder tomtom of zelfs maar een kompas de weg terug vinden naar de bewoonde wereld met een beetje kennis over zon en maan. Of als je weet dat bomen en struiken de neiging hebben om met de heersende windrichting mee te groeien. En dat korstmossen een voorkeur hebben voor de vochtigste kant van bomen en huizen – de kant waar geen zon komt, of waar de zeewind het vaakst langs blaast.

In het boek The Natural Navigator, dat Gooley vorig jaar schreef, combineert hij zulke eeuwenoude padvinderstips met moderne technieken. Samen voldoen ze ook uitstekend in de grotestadsjungle, laat hij zien terwijl hij zijn gehoor in marstempo door Notting Hill gidst.

Let op de verf aan de huizen. Is die gebarsten, dan is dat waarschijnlijk de kant waar de zon het vaakst op staat, dus het zuiden. Of neem die kerk. De lengte-as van een kerk is meestal oost-west, met het koor aan de oostkant. Een kompas van steen. Kijk ook naar de tv-schotels aan de huizen. Die zijn gericht op satellieten die op een vaste plaats aan de hemel staan. Dat kan alleen als ze boven de evenaar ‘hangen’. Dus op het noordelijk halfrond wijzen de schotels globaal het zuiden aan. „Dit is nog eens wat je noemt satellietnavigatie.”

Toch is ‘natural navigation’ meer dan alleen een manier om de weg te vinden. Door onze verslaving aan Google Maps en telefoons met gps verliezen we volgens Gooley niet alleen ons natuurlijke oriëntatievermogen, maar, erger, sluiten we de ogen voor onze omgeving. Natural navigation is vooral een aansporing om beter om je heen te kijken. „Het gaat er niet alleen om van A naar B te komen. Het gaat om de stukjes ertussen. Je hoeft er niet voor stil te gaan staan, natuurlijk. Maar het is in elk geval niet voor mensen die veel haast hebben. Het is opwindend om van de ‘hoofdweg’ af te stappen, zo maak je de wereld groter, zelfs als je op dezelfde plaats blijft.”

Dure vulpennen

Zijn cursussen en lezingen zijn druk bezocht. In Engeland werd zijn boek meteen een bestseller, en intussen zijn een Amerikaanse, Franse, Japanse en een Duitse editie verschenen. Leuk, zeker, maar hij is bang dat het een achterhoedegevecht is. Dit is „een kleine renaissance van belangstelling”, ongeveer zoals er in een wereld van toetsenborden en touch screens ook nog een markt voor dure vulpennen is. Maar the big picture is helaas dat de oude taal die hij onderwijst verloren raakt.

Dat valt nog te bezien. Want vanaf volgende week vertoont hij zijn kunst ook op televisie, in de driedelige BBC2-documentaire All Roads Lead Home. Drie bekende Britten – acteurs Alison Steadman en Stephen Mangan, en schrijfster/comedienne Sue Perkins – krijgen van Gooley een stoomcursus natural navigation. Waarna ze gedrieën (wel degelijk) van A naar B moeten zien te komen in Cornwall en Wales.

„Maar het is geen survival-programma-met- een-mes-tussen-de-tanden en ook geen reality-tv- in-de-wildernis; dat is al duizend keer gedaan”, zegt hij. „Het is wandel-televisie in de goede oude Britse traditie, maar mét de uitdaging om aan de hand van een paar clues en van de technieken die ik ze leer hun weg te vinden. Zoals: ga naar het noorden en die eenzame eik in het veld bij de parking is een aanwijzing.” Waarna de drie – ook geheel volgens Britse traditie – gevat kibbelend en met een bovenmodale dosis zelfspot op pad gaan door weer en wind.

Survival

Natural navigation is niet nieuw. Maar het stond, zegt Gooley, de laatste eeuw vooral in het teken van survival. „Het idee was: dit gebruik je alleen als het helemaal verkeerd gaat. Ik zeg: laat je omgeving tot je doordringen en dan begrijp je pas echt waar je bent. En natuurlijk gebruik ik gps als ik ga zeilen. Het zou dom zijn om het niet te doen. Maar ik probeer de wereld niet alleen via instrumenten te zien.”

In zijn boek duikt Gooley diep in de geschiedenis. Van prehistorische stenencirkels tot de oude Grieken, die ondanks hun misplaatste ideeën over de aarde als middelpunt van het universum feilloos op de sterren konden sturen. En van woestijn- nomaden tot de Polynesiërs, die hun ballen in het water hingen om uit de deining, die je op die manier extreem precies schijnt te kunnen voelen, af te leiden waar het volgende eiland ligt.

Waar ben ik nu? Dat is het rooie prikkertje in het scherm van je iPhone, een paar anonieme coördinaten. Maar dat is dus één, tamelijk willekeurige manier om te weten waar je bent.

Of niet. Die Polynesiërs wilden gewoon naar het volgende eiland en als ze gps hadden gehad, hoefden ze hun ballen niet re riskeren tussen de haaien.

„Misschien”, zegt Gooley. „Maar het kompas werd daar al in de achttiende eeuw door Europeanen geïntroduceerd en het duurde veel langer dan elders voor het werd geaccepteerd. Waarom? Omdat ze goed waren in wat ze deden. Maar ook – en dat is speculatie – omdat het een fundamenteel andere techniek is. Zelfs met een kompas ben je op zoek naar een punt, een klein stukje land in de oceaan. Als je dat mist ben je verloren. De traditionele methoden van de Polynesiërs zijn erop gericht om globaal in de buurt te komen en vervolgens je weg preciezer te vinden, bijvoorbeeld door te kijken naar de vlucht van de vogels of wolkvorming. Dat is onvergelijkbaar met hoe je een kompas gebruikt.”

Navigeren op de deining of met die eenzame eik bij de parking in All Roads Lead Home. Het lijkt ook een tijdverdrijf dat we ons kunnen permitteren, juist omdat we ons geen zorgen meer hoeven te maken over hoe we van A naar B komen. Een geruststellend idee in een voortjakkerende wereld, waar juist steeds méér vraag naar zal komen. Daar zit iets in, zegt Gooley en het heeft met de evolutie te maken. „Onze ogen voeden ons brein voortdurend met veel meer informatie dan nuttig is, en het brein beoordeelt permanent wat het wel en niet kan gebruiken. Dat heeft met survival te maken; onze ogen pikken een bedreiging veel sneller op dan iets wat alleen ‘interessant’ is. De kleur van een bloem is minder belangrijk dan een auto die je dreigt te overrijden. Als we ons brein afleren dat het in een survivalsituatie zit, kun je totaal anders naar het landschap kijken. Zo geef je het landschap een nieuwe vorm, ook al verandert er niets aan de fysieke vorm.”

All Roads Lead Home, 5 oktober 21.00 uur BBC2