Lobbyen tot de prijs valt

politiek Hoe win je de Nobelprijs? Collega’s en landgenoten voor je laten lobbyen werkt, blijkt uit de nominatiegegevens.

Media gathers as the Royal Academy of Sciences announces the Nobel Prize in Chemistry 2010 awarded jointly to USA's Richard F. Heck, Japanese Ei-ichi Negishi and Akira Suzuki in Stockholm on October 6, 2010. Richard Heck of the United States and Japan's Ei-ichi Negishi and Akira Suzuki shared the 2010 Nobel Chemistry Prize Wednesday for pioneering research in linking carbon atoms. The Royal Swedish Academy of Sciences lauded the trio's work in "the development of palladium-catalysed cross coupling." AFPP HOTO / SCANPIX / JANERIK HENRIKSSON AFP

Maar hoe doe je dat? Hoe vind je die man of vrouw die net uitgerekend in 2011 in aanmerking komt voor de Nobelprijs natuurkunde, chemie of, zoals dat nog steeds heet, ‘fysiologie of geneeskunde’. Of: hoe zorg je zelf dat net jij die man of vrouw bent die in 2011 de prijs krijgt?

Het antwoord op de eerste vraag is: laten nomineren. Het antwoord op de tweede: laten lobbyen. Op de website van de Nobelprijs wordt uitgelegd hoe de gang van zaken is. Over de prijs voor natuurkunde en chemie wordt beslist door de Koninklijke Zweedse Academie van Wetenschappen (van 1739), over die voor ‘fysiologie of medicijnen’ door het Karolinska instituut (1810). Een paar details daargelaten verschillen de procedures nauwelijks. Voor elk van de drie prijzen versturen die instituten elk jaar in september 2.000 à 3.000 nominatie-formulieren aan hoogleraren die als vooraanstaand gelden op hun vakgebied. Eerdere Nobelprijswinnaars en een vaste groep Zweden mogen ook voordragen. De duizenden professoren worden elk jaar zó gekozen dat alle landen en specialismen bij toerbeurt aan bod komen. Het levert per prijs ongeveer 300 namen op, want vaak worden dezelfde namen genoemd. En tachtig tot negentig procent van de namen van een bepaald jaar was in eerdere jaren ook al eens genoemd.

Op 1 februari word de balans opgemaakt, dan volgen beoordelingsrondes die uitmonden in een long list en een short list en tegen mei is wel zo’n beetje bekend welke personen in oktober zullen worden voorgedragen. Het is een Scandinavisch mirakel dat de namen zelden of nooit uitlekken

Maar hoe selecteren de drie verschillende Nobel-comités? Dat staat er niet bij. Zelfs het vorig jaar verschenen Nobel Prizes and Life Sciences van Erling Norrby is er vaag over. De viroloog Norrby was jarenlang permanent secretaris van de Academie. Hij weet het, maar zegt het niet.

Alfred Nobel had in zijn derde en laatste testament (1895) voorwaarden gesteld die een makkelijke selectie danig in de weg stonden. In hoofdzaak wenste hij ontdekkingen, uitvindingen of verbeteringen te belonen die het afgelopen jaar waren gedaan en die de mensheid ‘het grootste profijt’ opleverden. De hersenspinsels van theoretisch fysici vallen daar niet onder, Nobel dacht eerder aan unieke vondsten met een enorme maatschappelijke impact dan aan zoiets als ‘een leven in dienst van de wetenschap’. Einstein kreeg zijn prijs in 1921 in de eerste plaats voor het werk aan het foto-elektrisch effect.

De twee Zweedse instituten hebben in het begin ook werkelijk wel uitvindingen beloond (radio, kleurenfotografie, ontsteking van acetyleenlampen) maar later zijn ze toch wat creatiever met de voorwaarden omgegaan. Toevallige vondsten zoals die van de röntgenstraling en de natuurlijke radioactiviteit worden nog maar zelden beloond.

Nu of nooit

Hoe weten de Zweden nu welke genomineerden er echt toe doen? De eyeopener is dat zij zich er op toeleggen om een goed overzicht te krijgen van de vorderingen in de wetenschap. Ze laten zich in symposia en conferenties voor het speciale doel voorlichten. Door wie? Onder anderen door eerdere Nobelprijswinnaars, wat ligt nu meer voor de hand. Niemand zal willen beweren dat het daardoor komt dat ongeveer de helft van de Amerikaanse Nobelprijswinnaars afkomstig is van een laboratorium dat al eerder of wat later in de Nobelprijzen viel – het kan immers ook zijn dat de wetenschappelijke elite geconcentreerd is gehuisvest. Maar de buitenstaander meent toch vaag de contouren van het nomineren-in-eigen-kring te zien.

Scherper worden die contouren als hij een blik werpt in de ‘nomination database’ die het Karolinska instituut voor de Nobelprijzen van 1901 tot 1951 heeft opgesteld. Die databank laat zien wie er allemaal in die eerste halve eeuw werden genomineerd voor de Nobelprijs medicijnen. En vooral: door wie. En: hoe vasthoudend. Het duurt niet lang voor de ontnuchterende waarheid doordringt: de ‘nominators’ vochten als leeuwen om de knappe geleerde binnen de eigen gelederen mondiale roem te verschaffen.

Wie de nominaties van de wetenschappelijk gezien ‘kleine’ landen als Denemarken, Zwitserland, Spanje, België en Nederland voor die vroege periode langs loopt ziet onmiddellijk: er wordt vooral in eigen kring genomineerd, er worden onderling afspraken genaakt en soms worden heuse campagnes gevoerd: nu of nooit. En je zou durven zweren dat het lobbyen werkt. Vaak valt de prijs net in het jaar waarin het aantal nominaties ongekend hoog was.

Toen de histoloog Santiago Ramon y Cajàl van de universiteit van Madrid in 1901 maar liefst vijftien keer werd genomineerd voor de Nobelprijs bevonden zich onder die 15 nominators 13 professoren van de universiteit van Madrid. De Spanjaarden dachten misschien dat het spel zo gespeeld werd, het was het eerste Nobeljaar. Maar de Zwitsers dachten dat tot in 1949 nog steeds. De Zwitserse fysioloog Walter Hess is vanaf 1933 tot 1949, bijna jaar in jaar uit vrijwel uitsluitend door Zwitsers genomineerd. De rest van de wereld zag hem niet staan. Als de Zwitsers in 1949 met 6 nominaties alles op alles zetten volgt de Nobelprijs. De Deense patholoog Johannes Fibiger werd in 1920 voor het eerste genomineerd door een Duitser. Een Duitser? Ja, een Berlijnse hoogleraar – Fibiger had jarenlang in Berlijn gewerkt. Tot 1927 wordt hij jaarlijks hooguit twee keer genoemd, in 1927 wordt hij opeens 7 keer genomineerd. Nobelprijs.

De oude vrienden, die moeten het doen. Waarom ondernamen zoveel Fransen verwoede pogingen om de Belg Jules Bordet aan een prijs te helpen? Omdat zij verbonden waren aan het Institut Pasteur in Parijs, waar Bordet ook gewerkt had. Bezie ook hoe de Belgen de farmacoloog Corneille Heymans aan de prijs van 1938 hielpen.

En Nederlanders konden het ook, toen wel. Christiaan Eijkman, ontdekker van het vitamine B1, is vanaf 1914 vruchteloos genomineerd, tot de plotselinge zware nominatie-inspanningen van 1926 en 1927. In 1929 was het raak.

‘Lobbying is useless’, schreef Norrby in zijn inside boek over de Nobelprijzen. Hij weet wel beter.