Kritiek op politici is nog geen partij kiezen tegen Israël - integendeel

Wanneer kiest een krant partij?

Een van de heetste hangijzers van de journalistiek is het Israëlisch-Palestijnse conflict. Dat verdeelt lezers van vrijwel alle grote Europese en Amerikaanse kwaliteitskranten en zorgt voor een kolkende stroom reacties en ingezonden brieven.

Geen wonder, want dit conflict is historisch, politiek, religieus en ideologisch zwaar beladen. Voor de een is Israël een frontlinie in de strijd tegen de ‘fascistische’ islam; voor een ander is het zelf een ‘fascistische’ bezettingsmacht.

In zo’n context is alles inzet van strijd – de taal voorop. Waarom spreekt de krant van „antisemitisme” en niet van „antizionisme”? Omdat de krant pro-Israëlisch is. Waarom Palestijnse „aanslagen” en niet „terreurdaden”? Omdat de krant anti-Israëlisch is.

Je kunt ook gaan tellen: hoeveel stukken over de één en de ander?

Dat zegt ook lang niet alles, want evenwicht is geen puur kwantitatieve kwestie. Als een krant 20 regels wijdt aan Israëlisch geweld en 5 aan dat van Palestijnen, vragen achterdochtige geesten zich af: waar zijn die andere 15 heen? Verzwegen! Het kan er ook, of eerder, op wijzen dat de lat voor een democratische staat hoger ligt. Nog afgezien van het feit dat informatie er makkelijker te verkrijgen is.

In Context en kleuring, een rapport van de Nieuwsmonitor, onderzochten studenten van de Erasmus Universiteit hoe NRC Handelsblad, Trouw, de Volkskrant en De Telegraaf berichten over het conflict. Dat onderzoek komt op de hielen van een schotschrift van oud-NRC-redacteur Hans Moll, die de krant ervan beticht partij te kiezen tegen Israël.

Moll maakt gebruik van e-mails en uitspraken van collega’s bij wie hij, toen hij nog bij de krant werkte, belangstellend informeerde naar hun werk (zonder dat ze wisten van een boek) en van gesprekjes en grappen bij de koffieautomaat die hij kennelijk achteraf notuleerde.

Niet echt de aanpak van iemand die, zoals hij beweert, probeerde op de redactie „een discussie van de grond te laten komen”. Bovendien put hij nogal eenzijdig uit zijn particuliere dossiers – precies waar hij de krant van beschuldigt.

Maar goed, ook een klokkenluider zonder klepel kan per ongeluk soms een punt hebben.

Wat concluderen die onderzoekers van de Erasmus Universiteit?

NRC Handelsblad blijkt de meeste aandacht aan het conflict te besteden. De krant geeft volgens hen ook de meest complete informatie over de Palestijnse situatie. Opvallend vinden ze verder dat Palestijnen meer geassocieerd worden met religie (islam) dan Israëliërs, vergeleken met de andere kranten.

Tijdens de Tweede Intifada berichtte NRC Handelsblad „het meest vanuit een Israëlisch perspectief”. Over de Gaza-oorlog werden lezers van deze krant ,,het meest neutraal voorgelicht, in vergelijking met de andere dagbladen”.

Met „neutraal” bedoelen de onderzoekers dat de krant niet afweek van rapporten van de VN en Amnesty, die Israël aanmerkten als agressor. De krant liet ook meer Palestijnen aan het woord dan Israëliërs, zelfs bijna twee keer zo veel: „Hierdoor zullen lezers van NRC Handelsblad een overwegend Palestijns beeld krijgen van de Gaza-oorlog.”

Midden-Oostenredacteur Carolien Roelants betwijfelt dat laatste overigens. „Ze hebben alle artikelen geteld, dus je gaat de peren van kortkolommen en nieuwsberichten vergelijken met de appels van analyses en reportages. Bovendien lijken ze ervan uit te gaan dat Israëlische bronnen pro-Israëlisch zijn, en Palestijnse pro-Palestijns. Maar dat hoeft lang niet altijd zo te zijn.”

Tijdens de Tweede Intifada kwamen in de krant weer juist vooral Israëlische bronnen aan het woord. De onderzoekers: „Hierdoor heeft Israël vaker de kans het eigen geweld goed te praten dan de Palestijnen.” In het toekennen en kwalificeren van slachtofferschap wijkt NRC Handelsblad hier zelfs „het meest af” van de andere drie kranten, „in het voordeel van Israël”.

Is de krant nu pro- of anti-Israël?

Wat mij opvalt bij het nalezen van de hoofdredactionele commentaren (en dat is de plek waar de krant moet kiezen), is dat Israëlische politici de afgelopen jaren flink op hun kop krijgen, maar steevast vanuit engagement met de staat Israël. Het bestaansrecht van Israël staat voorop, de Palestijnse zaak wordt pas vanuit die premisse bekeken.

Veertig jaar na de „glorieuze overwinning” in de Zesdaagse Oorlog stelde de krant vast dat Israël „zich nog altijd terecht bedreigd voelt”. Gelegen „in een grotendeels vijandige omgeving, tussen landen waarvan de leiders van democratie, mensenrechten en rechtsstaat weinig moeten hebben”. Dat was 2007.

Ja, de krant pleit voor praten met Hamas – en niet als enige. Maar vooral uit realpolitische overwegingen, niet uit morele sympathie. Hamas moet eerst duidelijk worden gemaakt, aldus een commentaar uit 2006, dat „op het ticket waarmee de radicalen binnenkwamen – terreur en vernietiging van Israël – noch te overleggen noch te regeren valt”.

Zaterdag lazen we weer dat Israël „de enige min of meer democratische staat in de regio” is. En: „Israël is het aan zijn democratische zelfbewustzijn verplicht om met open vizier nieuwe stappen te zetten.”

Tegen die achtergrond is kritiek op Israël nog lang geen ‘partij kiezen tegen’. In de commentaren is George Bush junior ook ongetwijfeld vaker bekritiseerd dan Mullah Omar. Maar kiest de krant daarmee partij voor de Talibaan?

NRC Handelsblad bepleit een „politieke en zakelijke” benadering van het conflict. Dat is, aldus een commentaar: „niet eenvoudig.”

Nee, dáár kan iedereen het – hopelijk – over eens zijn.

Sjoerd de jong