Kan de machtige SER straks wel inpakken?

Het einde van de Sociaal Economische Raad (1950) is te vaak voorspeld om nog serieus te nemen. Maar twee ondermijnende trends komen nu samen.

De SER is hét sociaal-economische adviesforum voor de regering. De kracht van de SER (33 zetels) zit ‘m in zijn samenstelling en de zeggingskracht van unanieme adviezen. De meest betrokken sociaal-economische partijen, namelijk de centrale werkgevers en vakbonden, zitten elk met elf zetels in de raad. Elf onafhankelijke deskundigen moeten tegenwicht geven. De SER is de top van het oer-Hollandse op consensus georiënteerde overleg.

De eerste bedreiging is de interne verdeeldheid bij vakcentrale FNV over de toekomst van de AOW en de pensioenen. De twee dissidente bonden, FNV Bondgenoten en Abvakabo, willen als aparte afgevaardigden aan tafel komen in de verdere onderhandelingen over AOW en pensioen met minister Kamp (Sociale Zaken; VVD). Het logische vervolg is dat zij straks als aparte partij ook in de SER willen komen. En dan zullen zij hun eigen opvattingen in de SER met hetzelfde vuur uitdragen als zij FNV-intern hebben gedaan. Lekker rellen tegen de gevestigde orde. Na de politieke polarisatie van de afgelopen tien jaar komt de sociaal-economische polarisatie.

De vakcentrale FNV heeft in de SER acht zetels. Moet zij daarvan straks drie of vier opgeven gezien het ledenaantal van de twee ‘pensioenbonden’? Gevolg: meer discussie en meer tweespalt in de SER, zoals twee jaar geleden zich al aandiende met een mislukt AOW-plan. Minder consensus. Minder invloed op het regeringsbeleid.

Wie gaat het gat vullen?

De beste kanshebber is de Eerste Kamer. Dat is minder verrassend dan het klinkt. De Eerste Kamer (75 leden) is mede-wetgever, met meer maatschappelijke ervaring dan de Tweede Kamer en minder politieke waan de dag. Maar de Eerste Kamer heeft zich ook steeds meer ontwikkeld tot een kruispunt van politieke opvattingen én economisch-maatschappelijke belangen.

De aangekondigde overstap deze week van Eerste Kamerlid Thom de Graaf (D66) van het burgemeesterschap van Nijmegen naar voorzitter van de HBO Raad bevestigt een inmiddels duidelijk patroon. De Graaf versterkt de ‘fractie’ van de belangenbehartigers, in zijn geval: de hogescholen. Omdat het Eerste Kamerlidmaatschap een deeltijdfunctie is, wemelt het van nevenfuncties, zoals voorzitter bij branche-organisaties met leden die (deels) afhankelijk zijn van overheidsgeld of -regelgeving.

Onder de vertegenwoordigde belangen zijn die van de geestelijke gezondheidszorg (Marleen Barth, PvdA), bouwbedrijven (Elco Brinkman, CDA), medisch specialisten (Frank de Grave, VVD), de groente- en fruitverwerkende industrie (René van der Linden, CDA), welzijnszorg en maatschappelijke ondersteuning (Marijke Vos, GroenLinks), de tuinbouwsector Greenport Holland en de Uitgeversbond (Loek Hermans, VVD). Plus: wat bestuursfuncties in de zorgverzekeraars- en pensioenwereld en bij werkgeversvereniging VNO-NCW, commissariaten en functies in het bedrijfsleven en een enkele (interim) burgemeester.

Deze week zorgde de Eerste Kamer voor een primeur: een eigen onderzoek naar twintig jaar besluitvorming over privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten en hun effecten op de burger. Met deze keus voor een bredere actieradius wordt de Eerste Kamer een geduchte SER-concurrent. Vol deskundigheid. Vol sociaal-maatschappelijke machthebbers. En met een pré: je kunt in tegenstelling tot de SER politiek meteen zaken doen

menno tamminga