Kabinet kijkt naar Afghanistan door een rietje

Deelnemen aan een oorlog, troepen uitzenden, het hoort tot de zwaarste besluiten die een regering kan nemen. Het is dan ook goed dat het kabinet na afloop van zo’n operatie verplicht is een evaluatie te maken voor de Tweede Kamer. Heeft de missie succes gehad? In hoeverre zijn de doelen die we ons gesteld hadden bereikt? En welke lessen kunnen we trekken?

In een van de meest achtergebleven en gevaarlijke delen van Afghanistan hebben Nederlandse militairen vier jaar lang een moeilijke en omstreden missie uitgevoerd. Ook diplomaten en ontwikkelingswerkers namen eraan deel. Het was een zware opgave, zeker voor zo’n klein land. Maar als lead nation in de provincie Uruzgan speelde Nederland van 2006 tot 2010 op niveau mee in de grote NAVO-operatie in Afghanistan.

Aan 25 Nederlandse militairen heeft deze missie het leven gekost. Bijna 150 militairen raakten bij gevechten of aanslagen licht tot zeer ernstig gewond. Wat er gebeurde in Uruzgan hield Nederland intensief bezig, het was een dominant thema in de politiek, het kabinet-Balkenende IV struikelde erover.

En wat is de balans? Deze week stuurde het kabinet zijn evaluatie aan de Kamer. Het stuk, 135 pagina’s lang, stelt dat er veel is bereikt, maar gaat pijnlijke conclusies niet uit de weg. Het is in die vier jaar veiliger geworden in Uruzgan. Er is economische ontwikkeling op gang gekomen. Meer kinderen gaan naar school. De gezondheidszorg is verbeterd. Er zijn meer Afghaanse militairen en agenten in de provincie.

Maar of die verbeteringen beklijven is heel onzeker. Want een belangrijke doelstelling, het bevorderen van goed lokaal bestuur, is niet gehaald. Nederland had de macht willen breken van de invloedrijke, corrupte en soms gewelddadige krijgsheren, die gewend waren in Uruzgan de lakens uit te delen. Maar het officiële bestuur dat Nederland steunde bleek niet opgewassen tegen deze informele machthebbers en hun milities. Voor het opbouwen van goed bestuur is meer tijd nodig, beseft Den Haag nu. En het hielp ook niet dat de NAVO-landen onderling verdeeld waren over de aanpak van de krijgsheren.

Een cruciaal onderdeel van de Nederlandse missie is dus mislukt, en dat bedreigt de vooruitgang die op andere terreinen is geboekt. Ook heeft Nederland er niet voor kunnen zorgen dat de bevolking de regering in Kabul meer is gaan vertrouwen. En de situatie van vrouwen in Uruzgan blijft, „ook naar Afghaanse standaarden”, moeilijk.

Alles bij elkaar heeft Nederland volgens het kabinet „een stevige basis” gelegd voor de opvolgers in Uruzgan (de Amerikanen en de Australiërs) en de Afghaanse autoriteiten. Maar die nogal positieve conclusie verraadt een beperkte blik.

De situatie in Afghanistan als geheel is dramatisch slecht, de NAVO-operatie dreigt uit te lopen op een mislukking, het geweld verspreidt zich verder door het land, tot in de best bewaakte wijken van de hoofdstad, buurland Pakistan is nog altijd een destabiliserende factor en de NAVO maakt zich op om hoe dan ook in 2014 te vertrekken.

Hoe kan je de Nederlandse missie nu tot een redelijk succes verklaren, als de NAVO-missie waarvan ze deel uitmaakte een mislukking is? Een werkelijke evaluatie kan het totaalbeeld van de situatie niet buiten beschouwing laten. Op het hoofdkwartier van de NAVO kregen journalisten nogal eens het verwijt dat ze Afghanistan „door een rietje” bekeken, met uitsluitend aandacht voor het gebied waar de troepen uit hun eigen land zaten. Zo zouden ze een vertekend beeld van de situatie geven. Nu maakt de regering zich daaraan schuldig.

Een echte weging van de Uruzgan-missie kan niet zonder het internationale perspectief. Nederland heeft in Afghanistan – als solidair NAVO-lid – deelgenomen aan een operatie van het bondgenootschap die oorspronkelijk bedoeld was om na 9/11 nieuwe terreuraanvallen op het Westen te voorkomen. Allengs werd het doel van de missie om een hele staat op te bouwen, de regering-Karzai te steunen, het land in allerlei opzichten te ontwikkelen.

Dat was te hoog gegrepen. Heeft Nederland niet te lang geloofd in de heilzame werking van goede bedoelingen en de befaamde Dutch approach, waarbij defensie, diplomatie en ontwikkelingswerk hand in hand gaan? Heeft Nederland niet te veel gedacht binnen de NAVO-operatie een eigen koers te kunnen varen? En als dat onmogelijk is, of niet effectief, moet Den Haag dan voortaan terughoudender zijn met het deelnemen aan missies? Of moet de regering alleen minder illusies wekken bij parlement en publieke opinie, over de mogelijkheden van een eigen aanpak binnen zo’n operatie? En moet ook het parlement zich bij de besluitvorming niet minder illusies maken over de mogelijkheden om tot in de tail mee te beslissen? Het wachten is nog op een evaluatie die zúlke vragen beantwoordt.

Juurd eijsvoogel

    • Juurd Eijsvoogel