In Winson Green hangen er levens aan halve baantjes

Drie doden vielen er bij de ‘rassenrellen’ in Birmingham. Nu denken de inwoners dat de werkloosheid de enige echte oorzaak was. En de boosheid blijft. „School heeft geen zin.”

Stacey Gayle woont in Birmingham, om precies te zijn in de wijk Winson Green. En Stacey is boos. Iedereen lijkt nu al vergeten dat twee maanden geleden het hele land sprak over de rellen hier. Er kwamen drie Britten van Aziatische afkomst om het leven, toen zij hun winkels probeerden te beschermen tegen plunderaars. Nu praten alleen de mensen in de wijk nog over de plunderingen, op zoek naar een verklaring.

Stacey Gayle heeft een zoontje, Daniel, dat op haar heup zit. Ze luistert naar de radio waar Trevor Junior, urban gospel dj, uitlegt wat precies mis ging. De rellen hadden, volgens Junior, „helemaal niets” met etniciteit te maken.

Maar in de wijk heerst wel grote frustratie. De werkloosheid is er hoog, net als in andere wijken waar de rellen plaatsvonden. De meeste kinderen groeien op in gezinnen die afhankelijk zijn van de bijstand.

En de vooruitzichten op werk, zo blijkt uit onderzoek van de Nottingham School of Economics, zijn in de relwijken slechter dan elders in het Verenigd Koninkrijk. Het betekent dat de onderliggende factoren die hebben bijgedragen aan de rellen nog steeds aanwezig zijn. „Kansen gaan hier aan iedereen voorbij”, zegt dj Junior over Winson Green.

Stacey Gayles hijst zoontje Daniel van de ene heup op de andere. Ze weet waar de dj het over heeft. „Het heeft allemaal geen enkele zin. Ik heb leningen afgesloten om te kunnen studeren. Helemaal voor niets! Ik heb nu geen geld en geen baan.”

Gayles kan geen opleidingsplek vinden als leerlingverpleegster omdat er wordt bezuinigd in de gezondheidszorg. Maar zonder stage kan de 28-jarige niet verder met haar opleiding, en zonder opleiding krijgt ze geen baan. „Ik kan ook gewoon doen wat alle meisjes hier doen. Nog wat baby’s krijgen. Dan betaalt en steunt de regering me wel.”

Elders in de wijk zijn de verhalen hetzelfde. Parttime kapster Osara Richards zegt: „Zwarte mensen zijn trots. Ze zullen niet snel zeggen dat ze er niet uitkomen. En ze zullen er altijd goed uit willen zien.”

Dat is haar geluk. Razendsnel draait ze dreadlocks in en meet ze iemand anders een pruik aan.

Het is niet waarvoor ze is opgeleid. Ze werkte als huishoudster in een groot hotel. Maar ze werd ontslagen, en „ze namen negen goedkope Polen in dienst”.

Nu doet ze van alles. Een uurtje werken in de kapsalon, dan ergens als manicure aan de slag, en als het kan nog schoonmaakwerk. „Alles om de rekeningen te betalen.”

Het probleem wordt zichtbaar in een kroeg in een van de zijstraten. Daar zitten om half elf ’s ochtends op een gewone werkdag een stuk of tien blanke mannen al aan het bier.

De 40-jarige bouwvakker Robert Donegan, die buiten staat, kent de meesten. Toen hij werd ontslagen bij zijn bouwbedrijf vond hij via via een baantje in de nachtdienst bij een postorderbedrijf, maar anders had hij daar ook gezeten „en mezelf binnen een jaar dood gedronken”.

Enkele kilometers verderop vertelt gemeenteraadslid Paul Tilsley collega’s uit andere steden hoe hij banen probeert te creëren. In Birmingham is 12,5 procent van de beroepsbevolking werkloos. Landelijk is dat 5,5 procent. Werklozen hebben vaak niet de juiste vakkennis voor de weinige vacatures, zegt hij. Met allerlei projecten probeert hij die vakkennis bij te spijkeren. „Je kunt nu eenmaal niet eindeloos veel mobiele kappers hebben.”