'Ik ken het zwart, maar kies het licht'

Illustrator Sieb Posthuma eet jonge bonen en praat over de invloed van een afwezige moeder. ‘Mensen associëren mij met een immer rimpelloos bestaan.’

it voorjaar verkoos tekenaar Sieb Posthuma de rust en stilte van Zweden boven de binnenstad van Amsterdam. Samen met zijn man woonde hij drie maanden in een huis met een rood puntdak, een schoorsteen met kringelende rookpluimen en binnenin een open haard. Zo’n huis als kleine kinderen tekenen, ook al wonen ze in een vinexwijk. Hij bedacht er een nieuwe Dikkertje Dap, een ander fluitketeltje, gaf de drie ottertjes een metamorfose. Allemaal bekende figuren uit de verzen en gedichten van Annie M. G. Schmidt.

En na maanden werk is het nu oogsttijd. Het gedichtenboek is af, het heet Een vijver vol inkt en is eind oktober te koop. Verder gaat komende woensdag de theater-bewerking van zijn kinderboek Mannetje Jas in première. Over een mannetje dat het koud heeft en steeds een extra jas aantrekt, net zolang tot hij bijna bezwijkt onder de last van al die jassen. Pas als hij de liefde van zijn leven vindt, krijgt hij ook de warmte die hij zocht.

En dinsdag, als de kinderboekenweek begint, verschijnt het Grote Rintje Voorleesboek, een bundeling van de verhalen die hij schreef over zijn wit met zwarte foxterriër.

Sieb Posthuma kiest als lunchlocatie Gartine, een kleine lunchroom in een rustig zijstraatje van de drukste straat van Amsterdam, de Kalverstraat. De eigenaren van Gartine bedienen zelf. De sla, de prei en de jonge bonen die we eten, verbouwen ze in de moestuin bij hun huis in de Beemster. We zitten op de smalle vide boven de keuken en de kassa. Net het schellinkje, zegt Sieb Posthuma. De goedkoopste rang in het theater. Hij draagt een hagelwit overhemd, een gilet en spijkerbroek – hij lijkt opgeruimd en jonger dan hij is (51). Op zijn manchetknopen een getekend hondje. Hij lacht als ik er wat over zeg. „Ik weet het, dit is op de grens van wat een volwassen man nog dragen kan.”

Hij neemt sap van versgeperste biologische peren. De rust van Zweden, zegt hij, had hij nodig om zich diep te concentreren. Een kunstenaar wil hij zich niet noemen, maar wel een ambachtsman. Zijn mooiste en zijn beste werk, dat durft hij nu wel te zeggen, waren de illustraties die hij maakte voor de bundel fabels en verhalen van Aesopus, Boven in een groene linde zat een moddervette haan. „Rintje was net dood, ik was intens verdrietig, ik dacht: ‘Nu maak ik het mooiste wat ik kan.’” Voor dat boek kreeg hij een gouden penseel, in 2009. En nu wilde hij nog iets mooiers maken.

Het verzenboek van Annie M. G. Schmidt moest, net als het fabelboek een boek worden „met lijn en logica”. Dat deed hij zo: in het eerste vers zit één personage (‘de sprookjesschrijver’). Dat vers illustreerde hij in zwart-wit. Het tweede vers is ‘Ik ben stout’, het gaat over een meisje en een hond. De illustratie kreeg er één kleur bij (rood). Het derde vers heet ‘de drie ottertjes’, nu krijgt de tekening er blauw bij en zo gaat het verder, tot aan het elfde vers dat begint met de regel ‘de tijd van elfjes is voorbij’. „Langzaam loopt het boek vol personages, kleur en inkt.”

Orde. Regelmaat. Patronen. Daar houden kinderen van, denkt hij. „Elke keer dat een kind het boek bekijkt, ontdekt het weer wat nieuws. Het maakt zich bladerend het boek eigen.” Heeft hij zelf soms ook behoefte aan houvast? Zeker, knikt Sieb Posthuma. „Denk niet dat mijn atelier een leuke artistieke bende is. Nee, nee. Alles is juist heel precies georganiseerd.” Van nature heeft hij geen aanleg voor die orde, hij heeft geleerd dat hij zo het beste werkt. „Vrienden geloven me niet als ik het zeg, maar als puber was ik een chaoot. Om die chaos te bezweren, is een vorm van overzicht nodig.”

Mannetje Druk

Mannetje Druk, zo noemde zijn ouders hem. Dat was toen ze nog een gezin waren in Rotterdam, met na hem nog een zusje. „Altijd met iets bezig, aan het knutselen of iets.” En, én, én doen is nu nog zijn handelsmerk. Na de Rietveldacademie is hij precies één jaar kunstenaar geweest. Met een echt atelier en heel veel lege witte doeken. „Verschrikkelijk.” Dan maar liever een echte baan, bij de Kunstuitleen, en daarnaast tekenen. Hij ontwierp de boekomslagen van boeken van Simon Carmiggelt en Thomas Mann, maakte politieke tekeningen en illustraties. In 2008 maakte hij de decors en de kostuums voor het sprookjesballet Coppélia, over een mottige dokter die de ideale vrouw ontwerpt. Eens in de drie jaar gaat het in reprise bij Het Nationale Ballet. En tegenwoordig begeleidt hij voor de stichting Cultuur en Ondernemen pas afgestudeerde kunstenaars om van hun kunst hun beroep te maken. „Ze zouden mijn kinderen kunnen zijn. Wat in mijn tijd gek was, vinden zij nu heel normaal. Zij bekommeren zich erom of ze met hun kunst wel geld kunnen verdienen.”

Zijn ouders scheidden op zijn vijfde. Zijn moeder verhuisde naar Engeland, hij bleef met zijn zusje bij zijn vader, een arts. Dat is niet niks, zeg ik. „Mijn moeder was een artistiek wezen, geen moederkloek”, zegt hij bij wijze van verklaring. Om meteen erachter aan te zeggen: „Ik heb ook pas laat echt begrepen wat mijn moeder destijds dreef.” Hij zag de film The Hours, gebaseerd op een boek van Michael Cunningham. Het gaat over drie generaties vrouwen en één man. De man komt er bij toeval achter dat hij de zoon is van vrouw nummer twee. „Haar wordt gevraagd: waarom heb jij je gezin verlaten? Hoe kon je dat nou doen? Het was geen keuze, antwoordt ze. Het moest.”

Zo moet zijn moeder zich ook hebben gevoeld. „Het waren de jaren zestig. Ze kon zo veel meer dan moeder zijn. Ik begrijp dat het keurige gezinsleven haar benauwde.”

Met zijn vader en zijn nieuwe vrouw verhuisde hij naar Heemstede. Tot het laatste jaar van school, het eindexamenjaar. „Mijn moeder was terug in Nederland en wilde haar kinderen weer om haar heen. Ik wou niet echt, maar mijn zusje ging wel.” En met haar was en is hij „dikke, dikke vrienden”, hij ging mee voor haar. Wat hij achteraf heel jammer vindt, is dat hij het grenzeloze vertrouwen dat zijn vader in hem had, heeft verward met desinteresse. „Hij vond alles wat ik wilde goed, zei nooit dat ik beter zus of zo kon doen.” Bij het opruimen van zijn vaders huis, na zijn overlijden, vond hij oneindig veel opgerolde tekeningetjes. „Allemaal van mij. Hij had er heel netjes de datum op gezet. Nu weet ik: om een kind zo vrij te durven laten, moet je er verschrikkelijk veel van houden.”

Substituutouders

Wie jong verlaten is, wordt vaak zelf nogal trouw. Dus kent Sieb Posthuma zijn vrienden twintig jaar of langer, hun ouders voelen als zijn substituutouders. „Mijn leven hangt aan elkaar van keuzes en gelukkige ontmoetingen. Aanloopouders, docenten die iets in me zagen, die hielpen me op weg.” Drie lange liefdesrelaties had hij, waarvan de eerste met een vrouw. „Van ons vijftiende tot ons vijfentwintigste hebben we veel van elkaar gehouden, en nog. Maar toen destijds kinderen ter sprake kwamen, leek me dat toch geen goed idee.” Nu is hij acht jaar samen met acteur Ton Meijer, die hond Rintje speelt in de voorstellingen die ze samen op scholen spelen. „Zit je om zes uur ’s ochtends samen in de auto. Naar Waddinxveen of Bovenkarspel. Moe. Natuurlijk heb je lang niet altijd zin. Maar als een hele school dan met hondenmaskers op waf-woef-waf staat te roepen als je aankomt, dan ben je niet meer moe.”

Nu gaat hij niet meer zo vaak mee met die voorstellingen. „Ik ben me aan het losmaken van Rintje. Niet omdat ik niet meer van hem hou, maar ik wil nog zoveel meer.”

Andere illustratoren hopen vaak dat ze naam maken met één figuur dat iedereen meteen herkent. Zoals Dick Bruna bekend werd door Nijntje, Fiep Westendorp met Jip en Janneke. Voor Sieb Posthuma hoeft dat niet zo nodig. Hij vond het juist prettig personages van Annie M.G. Schmidt her uit te vinden. Hij is tevreden over ‘zijn’ Dikkertje Dap en hoopt dat lezers dat ook zijn. „Van sommige personages van Annie moet je afblijven, dat zijn archetypes.” Jip en Janneke bijvoorbeeld. „Die zwart-wit figuurtjes zijn iconisch.” Pluk van de Petteflet is onacceptabel zonder zijn petje. Een nieuwe Otje, Wiplala, Floddertje? „Dat zou misschien net kunnen.”

Het was ook dit keer weer een worsteling om dat wat in zijn hoofd zat te bewerkstelligen op papier. Het begint altijd met een schets. Dat is nog wel te doen. Maar dan. Dan komt het moment waarop kinderen zeggen: ‘Nu doe ik hem over in het net’. „Kijk naar de schetsen van alle grote schilders. Je ziet de directheid, de losheid. En bijna altijd valt het eindproduct dan tegen.” Ergens onderweg gaat het mis. Want wat uiteindelijk ontbreekt, is het zoekende van de schets. Nu hij ouder wordt, gaat het iets makkelijker. „Het startpunt in mijn hoofd en het resultaat liggen steeds dichter bij elkaar.”

Hoe het komt, weet hij niet, maar vaak associëren mensen hem met een immer rimpelloos bestaan. Hij houdt van de lichtheid van het leven, zegt hij, dat klopt. „Kunst wordt vaak gezien als de vertaling van het grote lijden. Ik hou van kunstenaars als Calder en Matisse. Natuurlijk ken ik de donkere, zwarte kanten ook, maar ik kies het licht want dat biedt troost.”

Naast zijn trouwring draagt Sieb Posthuma een zegelring, een erfstuk van zijn oma. „Zij nam mij mee naar ballet, theater en concerten.” Door haar kost het hem, zegt hij, nauwelijks moeite zich in te leven in de warme wereld van een kind. „Ik hoef niets te verzinnen, ik weet nog hoe ik me vroeger voelde, wat ik deed en hoe ik vond dat de wereld eruit hoorde te zien.” Zoals de wereld van hond Rintje. Met een moeder die hondenkoekjes bakt en nachtzoentjes geeft, en een oma die Rintje mee uit neemt in de grote stad. En dan woonden ze in zo’n huis met een rood puntdak, en uit de schoorsteen dwarrelde een kringelende pluim.

    • Rinskje Koelewijn