Het lot van de inktvisman

Gaat het bij dieren net als bij mensen? Vaders en moeders verheugen zich van te voren op hun kinderen. Soms al heel lang voordat een kind er aan komt. Ze denken na over namen, verven de babykamer, maken een wiegje en ze vinden kleine sokjes verschrikkelijk schattig.

En dieren? Die krijgen ook jongen. Maar weten ze dat van te voren? Denken ze erover na? Zijn ze blij? Of denken ze misschien ook wel eens: laat maar zitten?

We kunnen het ze niet vragen. Maar één ding weten we eigenlijk wel. Laat kinderen maar zitten, dat denken dieren niet. Ze móeten kinderen willen krijgen. Zo zit de natuur in elkaar. Zelfs als dat soms lastig gaat.

Kijk naar de inktvis Octopoteuthis deletron. Hij is zo groot als een hand, en zwemt wel een halve kilometer diep in het water van de Stille Oceaan. Het is daar zo donker dat je, nou, nog nét een hand voor ogen ziet. Maar een soortgenoot herkennen een eindje verderop, dat wordt al lastig. En zelfs als je die aan zijn acht zwaaiende armen herkent, hoe weet je dan of het mannetje of een vrouwtje is? Het verschil tussen die twee zit hem maar in één klein rimpelig stukje vel (dat alleen de vrouwtjes hebben).

En zo komt het dat de mannetjesinktvissen meestal geen flauw idee hebben of er een leuke dame voorbijkomt of een oudere heer. Ze nemen gewoon een gokje en laten hun zaadjes los in het water. Als het goed is blijven die dan kleven aan de buitenkant van hun soortgenoot. En als alles helemáál klopt is dat een vrouwtje dat voor kleine inktvisjes zorgt.

Hoe we dat weten? Biologen van het Monterey Bay Aquarium in Californië in Amerika hebben het onderzocht. Met diepzeerobots. Die ‘zagen’ dat er even vaak zaadjes aan de mannetjesinktvissen kleefden als aan de vrouwtjes.

Volgende keer beter, voor deze inktvisman? Nee, dat is het droevige stuk van het verhaal. Als hij zijn zaadjes heeft losgelaten, gaat hij dood. Nooit zal hij dus weten of hij wel of geen kinderen kreeg.

Margriet van der Heijden