Het kantelpunt

Monique Snoeijen schrijft de sound-track van haar leven. Deze week: onsterfelijk zijn.

De dag nadat ik 43 jaar was geworden, vertelde een 45-jarige vriendin me onverbloemd de waarheid: „43 is het kantelpunt.” Het kantelpunt? „Ja, het punt in je leven waarop mannen opeens niet meer naar je kijken. Nu ja, ze kijken misschien nog wel, maar ze zien je niet meer.”

Volgens mijn lief was dat flauwekul. „Onzin, schatje”, zei hij en nam me in zijn armen. „Dat kantelpunt ligt bij 45 jaar.” Het was geen reden voor verdriet, zei hij. Eenmaal over de heuvel, zou ik niet langer worden voortgedreven door onvrede en rusteloosheid. Eenmaal uitgeraasd, zou ik eindelijk in het hier en nu kunnen leven.

Hij kan het weten. Hij is zelf wat ouder en dat merk je aan alles. Aan de manier waarop hij zijn ijsje eet bijvoorbeeld. Als hij een minicup Häagen-Dazs uit de vriezer heeft gehaald, zet hij dat eerst op het aanrecht, wandelt dan terug naar zijn stoel en gaat zitten wachten totdat het ijs precies zo zacht is dat het lepeltje nog wel weerstand ondervindt maar toch makkelijk kan doordringen tot de kern. Zo’n man.

Zo’n man kijkt natuurlijk geamuseerd toe als ik op een ochtend een driftbui boven mijn fietstas krijg, omdat daarin opeens een laag drab zit. De dag ervoor heb ik er snel wat kranten in gepropt die naar de oudpapierbak moesten, maar ik liet ze – druk, haast – erin zitten en toen is het gaan regenen en nu moet ik dus met een zware computer op mijn rug fietsen omdat ik – druk, haast – geen tijd heb om die papierkots eerst weer te lozen en de tas schoon te maken.

Jahaaa, ik weet ook wel dat het me veel tijd en energie had bespaard als ik die kranten meteen had weggegooid. Maar he: ik heb haast. Ik heb het druk. Het kantelpunt zit me op de hielen. Ik weiger te geloven dat ik al aan de afdaling begonnen ben. Als ik nu maar goed mijn best doe, kom ik heus nog wel boven drijven. Maar daarvoor heb ik dus wel mijn vrienden Druk en Haast nodig. Zonder hen ben ik niets en kom ik nergens. En er is maar één ding erger dan niets zijn en dan doodgaan en dat is: niets zijn en níet doodgaan.

‘2045: het jaar dat de mens onsterfelijk wordt’ is de intimiderende kop van een artikel uit Time Magazine dat ik heb bewaard, maar niet eerder durfde te lezen. Het gaat over de futurist Raymond Kurzweil en zijn volgelingen die geloven dat de mens binnen enkele decennia, dankzij geïmplanteerde en geavanceerde software, onsterfelijk zal zijn.

Nu niet meteen denken dat dit freaks zijn, waarschuwt de auteur van het stuk, het zijn intelligente wetenschappers die out of the box kunnen denken. En als je bedenkt dat technologische ontwikkelingen exponentieel groeien, dan is het best voorstelbaar dat we over vijfendertig jaar robots ter grootte van een bloedcel in onze bloedbaan hebben die de hele dag in de weer zijn met het repareren van cellen en het maken van back-ups en updates.

Ik hoop dat ik het niet meer mee hoef te maken. Laat mij maar lekker af en toe een potje mijmeren over de vergankelijkheid. Want stel je gaat nooit dood, durf je dan nog ooit iemand eeuwige trouw te beloven? En als je gelooft in seriële monogamie: hoeveel exen kan een mens dan aan? Als je onsterfelijk bent, is de toekomst een loden deken waar je nooit meer onderuit kunt kruipen.

Opeens – 43 jaar en één dag oud – snak ik heel hevig naar een kantelpunt.