Gestrand in de oorlog

Correspondent Koert Lindijer reisde naar de Nuba-bergen om verslag te doen van de oorlog in Noord-Soedan. De vlucht naar huis liet weken op zich wachten. „Een gevoel van lethargie omsluit me.”

Met tegenzin begin ik aan dit verhaal. Al weken zit ik vast in rebellengebied van de Nuba-bergen van Soedan, omringd door vijandige soldaten van het regeringsleger, zonder een uitgang naar de veilige buitenwereld. Een gevoel van lethargie omsluit me. Om niet te hopen, hoop leidt tot wanhoop. Schrijven vergt energie. Maar energie wekt verwachtingen. Om van een minuut een seconde te maken, van een uur een minuut, van een dag een uur, moet de blik op oneindig, het gevoel in stand-by positie.

De bewoners van het dorpje Julud verslaan de tijd door zich te schikken in een patroon van dagelijkse bezigheden. Jongeren slenteren van de ene schaduw naar de andere, ze nippen aan kopjes mierzoete thee, ze praten, herhalen verhalen, lachen. Ze schudden elkaars handen, vele malen per dag. Nooit vallen er stiltes. Ambities zijn dodelijk in stilstaand water.

Er is een nieuwe oorlog uitgebroken in Soedan. Eerst vochten sinds 1955 de zwarte Zuid-Soedanezen tegen achterstelling door Arabieren en gearabiseerde volkeren. Een allesomvattend vredesverdrag van 2005 leidde tot de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan op 9 juli. Maar daarmee was het kernprobleem van Soedan nog steeds niet opgelost: is het een Arabische of Zwart-Afrikaanse natie? De zwarte volkeren van de Nubabergen en het aangrenzende Blue Nile in Noord-Soedan, evenals die van de westelijke regio Darfur, blijven zich verzetten tegen hun marginalisatie. Burgers zijn doelwit in de Nubabergen bij een strijd in afgelegen gebied. Om over deze moorddadige oorlog te berichten, moet ik op de grond zijn, daarom reisde ik af naar de Nuba-bergen. Het verzet wordt geleid door het Noord-Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA/N).

Bij hun kampement buiten Julud hebben de SPLA/N-strijders de lijnen van een dambord in het zand getrokken, met kiezelsteentjes in de kuiltjes. Commandant Sadeeq speelt kaart met zijn kameraden, de kaarten zijn gemaakt van stukjes gemarkeerd papier. Sadeeq vocht ook in de eerste oorlog in de Nuba-bergen (1989-2002), pakte na de hervatting van de strijd vier maanden geleden routineus de draad weer op en leidt nu de opstand in de westelijke bergen. Hij heeft vier vrouwen en dertig kinderen in Julud, waar hij na de gevechten zijn veld met tomaten verzorgt.

Iedere dag vliegen bommenwerpers van het regeringsleger over. Net als in de eerste oorlog probeert de Soedanese regering de bewoners van het rebellengebied te wurgen. In paniek voor de bommen vluchtten tienduizenden Nuba’s de bergen in en schuilen daar in grotten. Er wordt weinig geplant en door de blokkades van de steden kan er niet worden gehandeld. Leerlingen mijden hun scholen want ook daarop vallen bommen, er zijn geen medicijnen want buitenlandse hulporganisaties mogen er niet vliegen. Enkele weken geleden waagde een piloot het nog om me binnen te vliegen. Sindsdien ging het regenen en werd de landingsbaan een modderpoel.

„Ik heb water voor je gehaald, dat houdt je van een depressie af”, vertelt Ibrahim die Abraham wil heten. Water is een luxe aan het einde van een bezwete dag, een hoogtepunt waarnaar je toe kan leven. Met Ibrahim deel ik een soort fietsenhok voor de nacht. Iedere ochtend na zonsopgang om half zeven klimt hij in lang gewaad een rotsblok op en gaat in zijn handboek Sociale Studies lezen. „Oh my lord”, verkondigt hij bij de daling, „een bevrijdingsoorlog is geen picknick.”

Ibrahim is een verpleegkundige zonder medicijnen. Op een frommelig stukje papier schrijft hij een oproep tot buitenlandse hulp, bij commandant Sadeeq bepleit hij een voorlichtingscursus voor Nuba’s te organiseren om hun te leren hoe te overleven zonder medicijnen. „In de eerste oorlog kwamen alleen organisaties uit christelijke landen ons helpen”, betoogt hij, „moslims helpen ons nooit. Daarom wil ik van geloof veranderen en Abraham heten.”

De dagen verschillen niet meer. Ik twijfel of de zon op of onder gaat, of ik een kledingsstuk al heb gewassen. Mijn maag vertelt me niet meer dat ze voedsel wenst. Ik wil een koe zijn, tijdloos kauwend. Insecten zijn trouwe tijdverslinders. Zandvliegen overdag, muggen tegen zonsondergang, vlooien in de nacht. Venijnig zetten mieren hun klauwtjes in mijn billen en laten bulten achter. Vanavond ga ik als de geiten doen: ze klimmen een rots op om zich er op hun zij af te latenglijden. Zo schuurt de jeuk en de pijn weg.

Om de verveling te verslaan, verlang ik dagelijks naar een hoogtepunt. Een nagel bijten die de hele dag door mijn mond zwerft. Of een papieren zakdoekje om de kont te schonen, opdat mij een broeierig gevoel tussen de billen bespaard blijft tijdens de vier uur durende klim de berg op. Op die berg valt een vleugje mobiel netwerk te vangen. Mijn mobiel loopt vol met e-mails, leesvoer voor de pikdonkere nacht.

Julud lag tijdens de eerste oorlog in de bergen. Na 2002 trokken de duizend inwoners de bergen af. Daar beneden ontstond een nieuw dorpje: eerst één winkeltje, daarna een markt met tien winkeltjes, toen meer huizen, niet meer de van modder gebouwde ronde tukuls, maar vierhoekige woningen van gebakken grond en cement. Dat is vooruitgang, de Nuba-bergen vertonen meer ontwikkeling dan het veel langer door oorlog geplaagde Zuid-Soedan.

Vrijwel alle winkeltjes zijn dicht. Want door de blokkade van het regeringsleger komen er nauwelijks goederen binnen. Dadels, een stapeltje komkommers, een zakje suiker en, hoera, als hoogtepunt van de dag, een stukje zeep. Een man zonder bovengebit verkoopt de laatste liter benzine aan de breed glimlachende jongen met een houten speelgeweer. Iedere dag eet ik mijn bordje bonen bij Arafa, de aanlokkelijk jonge theedame. Ze serveert bonen met suiker, of bonen met verkruimelde koekjes en suiker. En melk met suiker. Of mierzoete thee. Een Soedanees kan niet zonder suiker. Soms verkoopt ze – een waarachtig hoogtepunt – apenbroodboomsap.

Arafa brengt Adam zijn komkommer met zure melk. Toen vier maanden geleden gevechten uitbraken in de regionale hoofdstad Kadugli, vluchtte Adam naar rebellengebied. „De regering van president Omar al-Bashir wil ons Nuba’s uitroeien”, spreekt hij luid. Zijn woning in Kadugli werd eerst geplunderd door het regeringsleger; de daken, het toilet, de stoelen, alles werd er uit gerukt. Toen kwam de bulldozer en walste die de woning plat. Adam bezit niets meer. Zijn wereld is gekleurd geraakt, zijn lange politieke betogen in het theetentje van Arafa vertonen een diepe haat „tegen de Arabieren”. „Het is een genocide tegen de Nuba’s”, predikt hij.

Adam vertelt over een bombardement gisteren tien kilometer verderop: twee dode vrouwen, in hun maag geraakt door bomscherven. Afgematte rebellen van het front komen Julud binnen. Het regeringsleger ging in het offensief en werd onderschept: acht doden. Commandant Logli Drod, veertig jaar oud met buikje, voerde de rebellen aan. Hij stapt uit zijn Koreaans militaire voertuig en gebaart naar soldaten op een vrachtauto. Ze zijn goed bewapend, de opstandelingen hadden zich voorbereid op de nieuwe oorlog. Drod vertelt aan de toegestroomde dorpsbewoners hoe Mig-gevechtsvliegtuigen zijn konvooi aanvielen. „Ik kom mijn kleren wassen in Julud”, zegt hij luchtig. In de morgen hoor ik de opstandelingen oefenen aan de andere kant van de berg.

Abdallah, de oude man die op me past bij het fietsenhok, brengt slecht nieuws. „Danger, too much.” Hij vertelt twee woorden Engels te spreken: „English one by one”. Van een vliegtuig dat me op zal pikken, heb ik al dagen niet gehoord. Eerst waren het de regens, toen was de landingsbaan te kort, toen ging het vliegtuig in reparatie, toen waren er geen fondsen voor een ander vliegtuig, toen... Ik kan een half uur bewegingloos in één positie zitten, nadenken over wanneer ik mijn ene been over het andere zal slaan.

Commandant Sadeeq besluit me naar een veiliger oord te verhuizen, iets verder van het front. Het leven in Tima is goedkoper, smokkelaars slagen erin goederen uit belegerde stadjes af te leveren. Op de stoffige planken in de winkeltjes liggen tandpasta, lollies en op marktdag zelfs een paar flesjes frisdrank. De rijkste dorpsbewoner bezit een aggregaat en televisie. In de avondstilte scheurt een jankende politieauto uit een tv-serie door het hoge gras bij Tima.

Omar brengt alleen gepiep voort. De jongen is doofstom en mijn verzorger en bewaker in Tima. Omar draagt een geweer en kookt bonen bij door termieten verslonden huisjes van een gevluchte christelijke hulporganisatie. Ik bestrijd mijn honger aan leesvoer door een handboek te lezen over hoe kinderen Bijbelteksten moet worden geleerd: „Laat ze de teksten herhalen en geen vragen stellen, dat houdt ze van de materie af.” Omar, de doofstomme, piept na een week „kawadja”, het Arabische woord voor blanke.

Hassan moppert op commandant Sadeeq. Hassan werkt bij de civiele tak van het SPLA/N en wil de benauwde situatie van de bewoners verbeteren. Hij krijgt daarbij te weinig steun van de soldaten. „Sadeeq is een slechte bestuurder”, zegt hij. „Het enige voedsel dat wordt ingevlogen, gaat naar de soldaten. Onze strijders zijn succesvol en gehard, vele commandanten deden hun ervaring op in de eerste oorlog. Maar ze moeten meer voor de burgers zorgen, de oorlog is nog te veel een opstand over de hoofden van de Nuba’s heen.”

De batterijen van mijn zaklantaarn zijn op en in de avond stap ik op het nippertje op een lange slang. In de ochtend vind ik er een onder het bed. „Dat zijn onze huisslangen”, lacht een rebel. „Ze gaat van tukul naar tukul en eten ratten op. Soms komen ze in de keuken, we voeden ze en ze glijden weer weg. Zolang je niet op ze stapt, zijn ze ongevaarlijk.”

Hassan onderwijst over de rijkdom van de natuur. Hoe je met boomschors je kleren hagelwit kan wassen, welke boombladeren vitamines en mineralen bevatten, hoe je honing en zout vindt, hoe je rupsen roostert, hoe je een wond verbindt. Onschatbare kennis voor mensen die in harde omstandigheden moeten leven.

In de avond heerst er opwinding. Hartelijk verwelkomen strijders een man, ze slaan hem op de schouders en omhelzen hem. „SPLA oyé”, jubelen ze. Hij ontsnapte uit het nabijgelegen garnizoensstadje Logowa en bereikte na een trektocht van twee maanden met vele omwegen SPLA/N gebied. „Hier ben ik bevrijd”, lacht hij, „hier ben ik thuis.”

Hoe kom ik hier ooit nog weg? Komt er ooit een einde aan? Er valt niets meer te lezen, niets meer te doen. En ook het papier om te schrijven raakt op.

PS Na bijna vier weken kon onze correspondent naar zijn standplaats in Kenia terugvliegen.