De grootste schrijvers kregen ‘m niet

Aflevering 5: over de Nobelprijs voor literatuur, de belangrijkste exporteur van Europese romans.

WITH AFP STORY BY MARC PREEL A picture taken on October 4, 2000 of the statue of Alfred Nobel at the Karolinska Institute on October 4, 2009 in Stockholm, where a week of Nobel announcements will begin on October 5. Some are woken by a phone call in the wee hours or the pilot of a plane they are in emerges to tell them, but for most Nobel laureates news of the triumph comes comes as a big surprise. AFP PHOTO / OLIVIER MORIN AFP

Het idee is even simpel als briljant. Je opent een spaarrekening, je zet er een som geld op en keert de rente jaarlijks uit in de vorm van prijzen. Als je daar maar lang genoeg mee doorgaat, maak je niet alleen je laureaten onsterfelijk, maar ook jezelf.

Alfred Nobel, uitvinder en grootindustrieel uit Zweden, gaf aan het eind van de negentiende eeuw het goede voorbeeld – zij het dat de naar hem genoemde prijzen pas vijf jaar na zijn dood voor het eerst werden uitgereikt. Nobel (1833-1896) had zijn kapitaal vergaard met de productie van dynamiet en ‘rookzwak kruit’ en kreeg naar verluidt wroeging over het leed dat hij de wereld had aangedaan met zijn uitvindingen. In zijn testament bepaalde hij dat de rente op zijn vermogen (30 miljoen Zweedse kronen) na zijn dood elk jaar in vijven moest worden verdeeld over personen die een bijzondere prestatie hadden geleverd in de natuurkunde, de scheikunde, de geneeskunde, de literatuur en de vrede. Jaren later, in 1969, kwam daar op instigatie van de Zweedse Rijksbank de economie bij. En zo valt ieder jaar in de eerste week van oktober zes keer 10 miljoen kronen (1,1 miljoen euro) uit de lucht. Tot vreugde van de Engelse wedkantoren, de wereldpers en iedereen die houdt van verrassingen. Want de wegen van de Nobelprijscomités in Zweden en Noorwegen (geneeskunde en vrede) zijn ondoorgrondelijk.

Hoewel de Nobelprijs voor de vrede regelmatig voor ophef zorgt (Kissinger! De Klerk! Arafat!) en zelfs niet wordt uitgereikt, is het die voor de literatuur die tot de felste discussies leidt. Waarschijnlijk omdat over de beste schrijver nog minder consensus bestaat dan over de vredelievendste persoon of de meest baanbrekende natuurwetenschapper. Dat is al zo sinds 1901, toen de Nobelprijs voor literatuur voor het eerst door de Academie van Wetenschappen werd uitgereikt. Ter ere van het feit dat Nobel zijn testament in Parijs had opgesteld, moest de eerste Nobelprijs ‘voor het beste literaire werk met een idealistische strekking’ (zoals aanvankelijk het criterium luidde) naar een Fransman gaan. Maar de beroemdste genomineerde, Emile Zola, kreeg de prijs niet, omdat zijn werk door Nobel ooit ‘smoezelig’ was genoemd. De eerste laureaat werd de dichter Sully Prudhomme, die al tien jaar niets had gepubliceerd.

En ook in de jaren daarna was het raak: in 1904 was er niet alleen gedoe over het feit dat er twee winnaars waren, maar ook over het literaire belang van de Spaanse dichter José Echegaray – een discussie die zich onder andere zou herhalen in 1926 (rondom de Sardijnse ‘streekromancière’ Grazia Deledda), in 1997 (de Italiaanse theatermaker Dario Fo) en vooral in 1953, toen Winston Churchill de prijs kreeg. De reacties van mensen die smaalden dat de auteur geëerd werd omdat hij de Tweede Wereldoorlog had gewonnen, waren niet helemaal terecht, aangezien Churchill als essayist en redenaar – twee literaire hoedanigheden die ook voor de Nobelprijs in aanmerking komen – bepaald niet de minste van zijn generatie was. Maar de Zweedse Academie heeft van de weeromstuit nooit meer een Nobelprijs durven uitreiken aan iemand die alleen door non-fictie beroemd is.

Ondanks (of moeten we zeggen: dankzij) alle relletjes heeft de Nobelprijs voor literatuur de wereld veroverd. En passant is ook de Europese literatuur geëxporteerd. Allereerst omdat de prijs het vehikel was voor wereldroem van schrijvers als Heinrich Böll (1972) Wislawa Szymborska (1996) en Orhan Pamuk (2004). Daarnaast omdat in de andere continenten vooral schrijvers zijn bekroond die beïnvloed waren door de Europese literaire traditie. De Zuid-Afrikaan J.M. Coetzee is een adept van Dostojevski en Orwell, Nagieb Mahfoez werd de Balzac van Egypte genoemd, de Chinees Gao Xingjian schreef toneelstukken in de stijl van Beckett.

Foto ANP

Heinrich Böll. Foto ANP

Het Nobelprijscomité, bestaande uit drie tot vijf afgevaardigden van de achttienkoppige Academie, heeft zich altijd bijzonder eurocentrisch opgesteld. De eerste laureaat uit een ander continent was de Bengaalse dichter Rabindranath Tagore (1913) en vervolgens zou het tot 1930 duren voordat de eerste Amerikaan (Sinclair Lewis) bekroond werd. De eenkennigheid van de jury wordt niet alleen geïllustreerd door het feit dat maar een kwart van de 108 gelauwerden van buiten Europa komt, maar ook door de controversiële uitspraken van de vorige secretaris van het Nobelprijscomité. In 2008 zei deze Engdahl: „De Verenigde Staten zijn te geïsoleerd, te eenzelvig. Ze vertalen niet genoeg en nemen geen deel aan de grote dialoog van de wereldliteratuur. […] Je kunt er niet omheen dat Europa nog steeds het centrum van de literaire wereld is.”

Grote Noord-Amerikaanse schrijvers als Philip Roth en Alice Munro (zij won de prijs uiteindelijk toch, in 2013) wachten dus nog steeds op de hoogste literaire erkenning. Maar mochten ze nooit gelauwerd worden, dan zijn ze in goed gezelschap. Sinds Zola werden onder meer Lev Tolstoj, Henrik Ibsen, Marcel Proust, James Joyce, Virginia Woolf, Ezra Pound, Anna Achmatova, Jorge Luis Borges, Graham Greene en, naar nu blijkt, Hella Haasse overgeslagen. En dan rekenen we Kafka, Pessoa en Kavafis niet eens mee omdat hún beste werk postuum gepubliceerd werd.

Ach ja, zoals de eeuwige Nobelprijskandidaat Harry Mulisch (1927-2010) placht te zeggen: het rijtje van schrijvers die de Nobelprijs hebben gehad is mooi; maar het rijtje schrijvers die de prijs niet hebben gehad is nog mooier.