Buitenlandse politiek China is als een spel

Elsbeth Etty neemt wekelijks de stapel binnengekomen boeken door, signaleert en geeft een eerst oordeel. Deze week Kissingers boek over zijn gesprekken met Chinese leiders.

Naar de schrijver Jo Otten, die in 1928 promoveerde op de dissertatie Het Fascisme en in 1932 het opwindende essay Bed en wereld publiceerde, ben ik al lang nieuwsgierig. Als bewonderaar en ijverig lezer van Menno ter Braak, E. du Perron en andere schrijvers uit het interbellum kwam ik zijn naam herhaaldelijk tegen. Nu weet ik alles van hem, dankzij de gedetailleerde biografie waarop neerlandicus Rob Groenewegen afgelopen week in Leiden promoveerde: Te leven op duizend plaatsen. Jo Otten 1901-1940 (In de Knipscheer, 814 blz. €45) vertelt het tragische levensverhaal van deze overgevoelige Rotterdamse intellectueel. In een defensief nawoord probeert de biograaf te rechtvaardigen waarom „een vergeten literaire figuur” zo’n omvangrijke biografie verdient. Overbodig: een goed boek als dit, over een fascinerend mens in een belangrijke historische periode heeft geen rechtvaardiging nodig.

Binnen zes maanden na de verschijning in Amerika is een Nederlandse vertaling beschikbaar gekomen van Over China (De Bezige Bij, 559 blz., vert. Percey Balemans, Guus Houtzager, Pon Ruiter en Mieke Tulp, €29,90) waarin Henry Kissinger geopolitieke beschouwingen doorspekt met verslagen van de gesprekken die hij voerde met diverse generaties Chinese leiders vanaf Mao Zedong. Het is goed dat zo’n belangrijk tijdsdocument ook in vertaling toegankelijk is. Hier en daar wordt de vertaling ontsierd door inconsistenties. Het Chinese partijblad Renmin Ribao heet soms Volksdagblad, soms People’s Daily. Maar zulke en andere slordigheidjes zijn details.

Kissinger beschrijft de Chinese buitenlandse politiek als het spel wei qui (vergelijkbaar met het Japanse go), een veldtocht die beoogt relatief voordeel te behalen en omsingeling door de tegenspeler te verhinderen. Zelf vindt hij zich ook wel een knappe speler van het duizelingwekkende machtsspel. Volgens Kissinger moet men, voor de keuze geplaatst tussen strategische noodzaak en morele overtuiging, „tot de conclusie komen dat morele overtuigingen pas goed geïmplementeerd kunnen worden als de geopolitieke strijd (is) gewonnen”. Terloops krijgt Europa van Kissinger nog een veeg uit de pan „als een passieve consument die alles slikte wat Amerika voorschreef”.

Alle ‘Realpolitik’ ten spijt pleit de Britse historicus Jonathan Israel hartstochtelijk voor de universele geldigheid van de kernwaarden die uit de Verlichting zijn ontstaan, de beginselen van menselijke vrijheid en waardigheid. Dat is geen eurocentrisme, maar heeft in onze tijd een mondiale dimensie, die blijvende betekenis verleent aan de geschiedenis van het radicale verlichtingsdenken. Israel heeft die geschiedenis – met Spinoza als lichtend baken – in een baanbrekende trilogie van in totaal meer dan 3.000 pagina’s beschreven. Voor wie dit historische gebergte wat al te massief vindt, is er nu het handzame Revolutie van het denken (Van Wijnen, 239 blz., vert. Arend Smilde, €24,99), gebaseerd op een serie colleges over de Radicale Verlichting en de wortels van onze democratie. (Zie het interview met Israel gisteren in Boeken.)

Waarom leven we mee met iemand die niet bestaat? Die vraag over de werking van fictie en de verhouding tussen lezer en tekst behandelt Umberto Eco in Bekentenissen van een jonge romanschrijver (Bert Bakker, 191 blz., vert. Bart Kraamer, €19,95). De 79-jarige Eco noemt zichzelf als schrijver jong, omdat hij zijn eerste roman, het befaamde De naam van de roos, pas in 1980 publiceerde en de komende jaren nog vijftig romans wil schrijven. Dat vooruitzicht doet me meer genoegen dan zijn beschouwingen over ‘lijsten’ (enumeraties, litanieën, telefoonboeken, catalogi), of beter: ‘literaire’, ‘poëtische’ of ‘esthetische’ lijsten, te beginnen bij de scheepscatalogus van Homerus.

Wanda Bommer heeft in haar derde roman Panorama West (Nijgh & Van Ditmar, 347 blz. €17,50) erg veel woorden nodig voor een heel dun verhaaltje. Een weinig succesvolle schrijver van veertig die al zijn hele leven op 28-jarige vrouwen valt, wordt eind 2006 door zijn recentste 28-jarige verovering, Francis, meegetroond naar Terschelling, om daar met haar familie Oud en Nieuw te vieren. Men zet het op een zuipen en maakt stompzinnige ruzies. Francis is vijf jaar voor de dood van Amy Winehouse geobsedeerd door 27-jarigen die de 28 niet haalden. In Panorama West haalt een 28-jarige de 29 niet en als ik de proloog goed begrijp is zij de enige niet. Bommers vorige romans waren dunner en beter.

Elsbeth Etty