Al vroeg je nergens om, de tv bracht alles

De Nederlandse televisie – morgen bestaat ze zestig jaar – was ingericht tot behoud van de verzuilde samenleving, maar werd de nagel aan haar doodskist, stelt Raymond van den Boogaard.

Omdat mijn moeder in 1960 graag de reportage van het huwelijk tussen de Belgische koning Boudewijn en de Spaanse gravin Fabiola wilde zien, regelde mijn vader een tweedehands televisietoestel. Sindsdien stond er bij ons zo’n ding in de hoek van de kamer, aanvankelijk met een elektriciteitssnoer als provisorische antenne, later met een hark op het dak.

Al vlug bleek het apparaat een dwingeland, en gedroegen mijn ouders zich op een manier die ik eerder al bij mijn grootouders had gezien, die al jaren televisie hadden. Avond aan avond namen zij plaats voor ‘de buis’ om naar het aanvankelijk enige Nederlandse televisiekanaal van de Hilversumse omroepen te kijken. Televisiekijken werd, in tijd, hun voornaamste vrijetijdsbesteding.

Maar heel merkwaardig: het tijdsbeslag was niet recht evenredig met hun enthousiasme over het gebodene. Mijn ouders waren bijna steeds kritisch over wat de televisie bracht, teleurgesteld bijna. Heel treffend omschreef Wim Kan, in een van zijn legendarische oudejaarsconferences op de radio, televisiekijken als ‘wachten tot het leuker wordt’.

Zoals het een opstandige puber betaamt, stond dit gedrag van mijn ouders me tegen. Ik haatte het gezamenlijk passief naar het scherm staren, en ik haatte het doffe gebonk dat de modulatie van de toestellen in die tijd in de belendende vertrekken teweeg bracht. Maar als ik ’s avonds op mijn fiets op pad was door de moderne voorstad waar mijn ouders zich hadden gevestigd, kon ik zien dat zij zeker niet de enigen waren die hun leven aan de buis hadden verpand: huis na huis (met de gordijnen open, zoals dat hoorde) en straat na straat, overal hetzelfde beeld. Ik kan me nog de sceptische reacties herinneren bij de invoering van het zogeheten ‘tweede net’ in 1964. Onzinnig, meende mijn grootvader: „Je kunt toch zeker maar naar één tegelijk kijken?”

De veralgemenisering van televisiekijken was een van de kenmerken van de nieuwe welvaartsstaat die zich vanaf 1960 in Nederland aftekende. Het is een bekend verhaal: die welvaart bracht ook de ontzuiling van Nederland. Tot diep in de jaren vijftig leefden bevolkingsgroepen min of meer naast elkaar: trouw aan eigen partij, omroep, school, sportclub of krant van de eigen ideologische of confessionele signatuur. Ook het van de radio geërfde tv-bestel, met zijn omroep voor elke gezindte, was er eigenlijk op ingericht deze structuur van soevereiniteit in eigen kring te continueren.

Zo is het niet gelopen. Iedereen keek naar alle omroepen. Televisie fungeerde als de grote gelijkmaker en confronteerde iedereen met wat er in de maatschappij leefde, ook al leek dat voor zijn eigen kring niet relevant. En er leefde heel veel in die maatschappij in de jaren zestig en zeventig. Er deden zich grote veranderingen in mentaliteit en opvatting voor, meestal van opstandige en emancipatorische strekking.

Het tv-bestel met zijn levensbeschouwelijke omroepen was – de AVRO wellicht daargelaten – ingericht ter conservering van de verzuilde samenleving, maar werd de nagel aan de doodskist daarvan. Wie voorheen katholieken beschouwde als mensen van een andere planeet, en toch ook een beetje als tweederangs burgers, zag zich op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen rond het tweede Vaticaans Concilie in 1965, en later van de problemen van priesters die wilden trouwen. Ook in protestantse kring gistte het op vele gebieden – het zogenaamde euthanasiedebat in Nederland is, zoals de Amerikaanse historicus James Kennedy heeft aangetoond, van protestants-christelijke kring uitgegaan en hetzelfde geldt, denk ik, voor moderne opvattingen over ontwikkelingshulp. De NCRV deed verslag.

Ik noem deze voorbeelden als eerste, omdat je – in verband met de maatschappelijk grensverleggende rol die de televisie in de jaren zestig en zeventig heeft gespeeld – meestal meteen de VPRO hoort noemen. De legende is verdiend: de VPRO scoorde ook hoog wat het verbreken van maatschappij taboes betrof: het eerste blote meisje op de Nederlandse televisie (Hoepla, 1967) of het ogenschijnlijk normloos registreren van menselijk handelen en het opvallend niet-serieus nemen van politici (Het Gat van Nederland, vanaf 1972). Maar de grensverlegging was zeker geen VPRO-monopolie: het verdwijnen van de eerbied jegens autoriteiten, en het zogenaamde ‘harde interview’ met de machthebber waren net zo goed de verdienste van het KRO-programma Brandpunt of de VARA-rubriek Achter het Nieuws.

Was de geest van verandering en emancipatie die de televisie avond aan avond injecteerde in al die aan de televisie gekluisterde huisgezinnen iets van die televisie zelf? Ik denk van niet – die geest was eind jaren zestig ook geen exclusief Nederlands verschijnsel. Maar televisie heeft wel een indringend platform geboden aan veranderingsgezindheid van allerlei aard, en heeft wie nergens om gevraagd had geconfronteerd met de ideologische slagvelden buiten zijn onmiddellijke gezichtskring. In een land waar elke bevolkingsgroep zijn eigen opvatting had over de oorzaken van de opstand tegen Spanje eind zestiende eeuw, en daarmee over het fundament van de Nederlandse onafhankelijkheid, ging plotseling iedereen zich druk maken over dezelfde dingen, en gaf in 1962 massaal aan de liefdadigheidsmarathon Open het dorp. Deze maatschappelijke integratie, want dat was het, leeft voort tot op de huidige dag.

Achteraf bezien is de televisie het laatste nieuwe medium geweest waarvan je als overheid nog het idee kon hebben dat je er controle over kon houden, en – met de beste bedoelingen uiteraard – een monopoliepositie op kon verwerven. Op internet, waar iedereen de producent van inhoud kan zijn en waarop de meest uiteenlopende dingen zijn te zien of te lezen, is dat volstrekt onmogelijk. Er is nog een belangrijk verschil tussen internet en televisie: televisie is een medium met eigen kenmerken gebleken, dat zijn voorgangers (radio, kranten) liet bestaan, terwijl internet als een soort stijlloze slokop alles incorporeert.

Die neiging tot controle en monopolie – uit naam van een pluriform bestel – is de behoeders ervan in de jaren tachtig lelijk opgebroken. Sinds de jaren zestig werden er al pogingen gedaan om naast wat nu ‘publieke omroep’ genoemd wordt een commerciële televisiestructuur op te zetten, maar door een belangenverweving tussen grote politieke partijen en omroepen kon dat steeds worden voorkomen. Terwijl in de landen om ons heen de overheid gewoon zorgde voor zo’n structuur, daarbij aan de commerciële exploitant eisen stellend op het gebied van quota voor nieuws, cultuur, eigen productie of investeringen in de lokale filmindustrie.

In 1989 werd het archaïsche monopolie effectief doorbroken door de Luxemburgse firma CLT, gebruikmakend van het feit dat een Luxemburgse zender zich op de kabel niets van Nederlandse wetgeving hoefde aan te trekken. RTL-Véronique, zoals RTL4 aanvankelijk heette, onderscheidde zich vanaf dag één door een nieuwe, informele toon, bijvoorbeeld in een weinig pretentieus praatprogramma dat De Vijf Uur Show heette. Die informaliteit zette nog verder door met de komst in 1995 van de zender SBS 6 die een journaal begon, Hart van Nederland, waarin de ‘vox populi’ om zijn mening werd gevraagd en regionale actualiteiten op één lijn kwamen te staan met buitenlands en landelijk nieuws. Met Over de roooie, een programma waarin mensen voor geld normloos gedrag vertoonden, zoals in het openbaar je broek uittrekken, werd opnieuw een norm overschreden.

Net als bij de cultuurverschuiving in de jaren zestig en zeventig kun je de kip-of-eivraag stellen: brengt een programma als Oh Oh Cherso – over jonge Nederlandse vakantievierders aan de Griekse kust die zich klem zuipen en voor wie vakantie promiscuïteit betekent – zulk gedrag in de bevolking teweeg, of vormt het de afspiegeling van een al buiten de televisie bestaand cultureel patroon? Het laatste, vermoed ik, maar ook in de huidige tijd geldt dat de televisie een platform biedt aan gedrag en opvattingen die anders een discreet fenomeen geweest zouden zijn.

Of de normverschuivingen in de maatschappij die de commerciële televisie laat zien ook zo fundamenteel zijn als die van de jaren zestig en zeventig valt te betwijfelen. Toen in 1999 op Veronica de eerste serie van Big Brother werd uitgezonden, waren er nogal wat intellectuelen die dat een heilzame ontwikkeling vonden: eindelijk was de televisie aangekomen bij de denkwereld van ‘de gewone man’, iedereen kon immers een ster zijn! Maar inmiddels is gebleken dat het volgen van de ‘gewone mens’ op den duur saaie televisie oplevert. Om de belangstelling op peil te houden werd steeds drastischer ingegrepen, werden kandidaten gemanipuleerd of zodanig geselecteerd dat spectaculair pathologisch gedrag verzekerd was. Desondanks ebde de belangstelling van het publiek weg.

Nieuwere vormen van ‘reality tv’ houden zich minder bezig met hoe de wereld is, maar meer met hoe hij zou moeten zijn: wie van zichzelf denkt dat hij mooi kan zingen of dansen, weet inmiddels hoe hij zijn enthousiasme moet tonen als de jury dat met hem eens is. Of hoe hij deemoedig moet kijken bij een preek over zijn gebrek aan motivatie of talent. Dat is niet het betrappen van de werkelijkheid, maar een normstelling – een heel andere vorm van bevoogding dan in de jaren zestig, maar bevoogding is het.

Misschien is de voornaamste les van zestig jaar tv dat televisie een artefact is, met regels en wetten die niet dezelfde zijn als die in het leven buiten de televisie. Dat uit zich in het frequent gebruik van een groot aantal stijlmiddelen: snelheid en directheid, gerichtheid op de persoon in plaats van op meer abstracte gegevens, soundbites in plaats van lange verhalen, en een shot van twee seconden is al lang. Alles wijst op het eerste gezicht op oppervlakkigheid. De kunst van televisie maken is om met die middelen toch iets te maken wat betekenis draagt, en de Nederlandse televisie kan dat soms heel goed, zowel de publieke als de commerciële tv.

Dat televisie iets anders is dan radio met plaatjes, een bewegende krant, een discussieavond in een zaaltje, film of gewoon het leven van alledag, dat weet iedereen nu wel. Net als bij die andere media is er natuurlijk wel een verband met de verhoudingen in de samenleving, maar in hoeverre de televisie de samenleving afspiegelt, en in hoeverre televisie die samenleving beïnvloedt, is niet zo makkelijk in een formule samen te vatten. Wat dat betreft lijkt televisie op bijvoorbeeld literatuur of beeldende kunst – alleen massaler.

Het grote verschil tussen 1960 en nu is, dat er zoveel televisie is. Wie een digitaal kabelabonnement heeft, kan al vlug kiezen tussen honderden zenders, en hetzelfde geldt in nog sterkere mate voor de satelliet. In de jaren negentig had je nog wel eens dat iedereen in je omgeving de vorige avond hetzelfde programma had gezien – Koot en Bie bijvoorbeeld. Dat is nu heel zeldzaam: de kijktijd per hoofd van de bevolking is niet gedaald, maar iedereen kijkt kennelijk naar iets anders. Je hoort ook zelden meer iemand mopperen op ‘de tv’.

Dat betekent vermoedelijk dat televisie is opgehouden een instrument van maatschappelijke integratie te zijn, maar gewoon een instrument tout court is geworden, dat je kunt inschakelen ter lering en vermaak en dat je ook gerust kunt uit laten. De puber in mij vindt dit een uitstekende ontwikkeling.