Doodsbang om jou in mij te verliezen

Een partner verliezen en de rouw onder woorden brengen. Dat laatste deden twee Amerikaanse schrijvers: Joyce Carol Oates is bezig met zichzelf, Francisco Goldman versloeg de dood en wekte zijn verongelukte vrouw tot leven.

Writer Francisco Goldman talks to audience during the Hay Literary Festival in the Caribbean city of Cartagena, in Colombia January 28, 2006. REUTERS/Fredy Builes REUTERS

Francisco Goldman: Zeg haar naam. Vert. Olaf Brenninkmeijer en Frank Lekens. Lebowski, 446 blz. € 19,90

Joyce Carol Oates: A Widow’s Story. Ecco, 418 blz. € 28,–

Iemand die een levenspartner verliest, kan onmogelijk het recht op verdriet worden ontzegd. Maar dat betekent niet dat aan verlies ontsproten literatuur boven inhoudelijke kritiek verheven is. Rouw is een precaire emotie; de directe omgeving kan de uitingen ervan slechts beperkt verdragen, onmachtig haar waarlijk in te voelen. Het maakt de rouwkroniek tot een stresstest van het schrijverschap. Hoe voorkom je dat de lezer het boek dichtslaat om aan de drukkende deken te ontkomen?

De Amerikaanse schrijvers Francisco Goldman en Joyce Carol Oates verloren respectievelijk in 2007 en 2008 hun echtgenoten. Goldman was getrouwd met de veel jongere Mexicaanse schrijfster Aura Estrada, die op 30-jarige leeftijd omkwam bij een surfongeluk; Oates verloor na 47 jaar huwelijk haar man Raymond Smith toen deze na een ziekenhuisopname besmet raakte met de E.coli bacterie. Beide schrijvers brachten hun rouwproces in kaart, maar waar het Goldmans Zeg haar naam me vanaf de eerste pagina meesleepte, wist Oates’ A Widow’s Story me veelvuldig te irriteren. Waarom?

Onlangs werd in deze bijlage door Elsbeth Etty de vraag opgeworpen of memoires wel ‘literatuur’ kunnen zijn. Haar conclusie: ja, indien onontkoombaar opgeschreven en vormgegeven. Ik zou daaraan willen toevoegen: motivation matters. Naast boeken die uit zelfbeklag geschreven zijn of puur appelleren aan sensatiezucht, staan verbeten pogingen tot inzicht te komen. Ik denk hier aan The Year of Magical Thinking (2005), het kleine meesterwerk van Joan Didion, wier echtgenoot John Gregory Dunne stierf aan de eettafel, of aan de The Thirties (1980), de dagboekaantekeningen van Edmund Wilson. Wilsons vrouw Margaret was naar de westkust gevlogen, waar ze in zijn afwezigheid tijdens een feestje van de trap viel en haar schedel brak. De schetsmatige, seksueel geladen notities die Wilson in een stream of consciousness maakte, roepen haar scherp op, alsof ze nog voor hem staat.

De aard van het verlies heeft invloed op het dramatisch potentieel. Hoe cru het ook klinkt, uit dramatisch oogpunt heeft het lot Goldman meer gegeven om mee te werken dan Oates. Zeg haar naam is de geschiedenis van een man die tot op relatief gevorderde leeftijd een eenzelvig leven leidde, en door een veel jongere vrouw is wakker geschud. Hij is gezegend én gestraft, want de leegte die ontstaat wanneer de bron wordt weggerukt is navenant. Bovendien kent het boek een heuse antagonist: Aura’s moeder Juanita, die Goldman de dood van haar dochter kwalijk neemt. Zoals Goldman en Juanita over de ziel van de levende Aura streden, zo ook over haar nagedachtenis. Terwijl mensen rond de nabestaanden beginnen af te haken, zijn het de strijders die overblijven, ongemakkelijk verbonden in hun rouw.

A Widow’s Story ontbeert zulke dramatische elementen. Joyce en Ray ontmoetten elkaar op de universiteit, werden respectievelijk schrijver en redacteur, waren samen verantwoordelijk voor The Ontario Review, en gaven les. Relatief gemoedelijk en gelukkig, decennialang.

Dat hoeft op zich geen probleem te zijn, maar dwingt tot een scherpe benadering. Joan Didions huwelijk met John Gregory Dunne was vergelijkbaar van aard en toch heeft The Year of Magical Thinking alle impact die A Widow’s Story mist. Didion, de analytische, de observator, probeerde het irrationele gedrag dat bij rouw hoort, te doorgronden. Met die inzet plaatste ze haar rouwproces in het kader van medisch en psychiatrisch onderzoek. Ze deed, kortom, iets met het materiaal dat het verhief.

Statische catalogus

Oates, daarentegen, smeert haar verdriet in dikke lagen over de pagina’s en benoemt haar depressieve conditie meer dan dat ze hem tastbaar maakt. Het boek is een statische catalogus van haar doodsgedachten, haar medicatie, de regelzaken (‘doodstaken’) en haar weerzin de wereld onder ogen te komen. Het is een boek dat evident voortkomt uit dagboekaantekeningen; het profiteert niet van de volle vermogens van de romanschrijfster Oates.

‘Rouw vereist waar niet op te hopen valt,’ schreef Samuel Johnson in 1750, ‘dat de wetten van de natuur worden ingetrokken; dat de doden terugkeren en het verleden wordt herroepen.’ Het vergeefs verzet tegen een afscheid dat al heeft plaatsgevonden, kleurt menige rouwkroniek. Alles wordt aangegrepen om de overledene op te wekken. Dat is een rol van religie en van de magische gedachten waarover Didion schreef – als ik nu dít doe, in déze volgorde, dan keert hij terug. In de seculiere wereld is het vooral een rol die gespeeld wordt door spullen. Verbindingsobjecten.

Kleren zijn ideaal, omdat ze het nabeeld van de fysieke vorm van de drager zijn. In Haruki Murakami’s meesterlijke verhaal ‘Tony Takitani’ sterft de koopzieke, door mode geobsedeerde eega van de hoofdfiguur. Hij huurt daarop een meisje in dat de verweesde kleren kan dragen in zijn nabijheid. Didion bleef de schoenen van haar man klaarzetten, alsof hij ze kon vervolmaken door erin te materialiseren.

Goldman hangt de trouwjurk van Aura boven een altaar en houdt ook aan andere kleren vast. ‘Minstens één keer per dag trok ik de la open om mijn gezicht in haar kleren te drukken, kwaad dat ze meer naar het hout van de kast roken dan naar Aura, en soms gooide ik een hele la leeg op het bed en liet me voorover in de kleren vallen.’

Bij Oates een andere toon: ‘Ik heb me nog niet gerealiseerd – dat zal enige tijd vergen – dat ik, als weduwe, gereduceerd zal worden tot een wereld van dingen. En deze dingen hebben slechts de vaagste glans van hun vorige identiteit en betekenis behouden.’ Ze vraagt zich af hoe er te leven valt in een huis waaruit de betekenis geweken is, ‘als lucht uit een ballon.’ ‘De colberts, de jasjes, de shirts, de broeken enz. die in de kasten van het huis hangen – mannenkleding, maar van wie?’

Het suggereert een fundamenteel probleem van A Widow’s Story: we leren Ray niet kennen, omdat ze hem zelf niet echt gekend heeft. ‘In ons huwelijk’, bekent ze, ‘waren we gewoon niets te delen wat verontrustend, deprimerend, demoraliserend of saai was – behalve wanneer dat onvermijdelijk was.’ Ray las Joyce romans niet, en over zijn gecompliceerde jeugd – in streng katholieke kringen – spraken ze nooit. Hij blijft diffuus, onkenbaar, en dat maakt haar verdriet minder invoelbaar, minder urgent.

Onthechting

Het curieuze is dat Oates zich uitput in emotionele uitroeptekens, maar zich tegelijk bedient van onthechting en afdekking. Ze vlucht voortdurend in ‘het leven van de geest’: alles wat dichtbij komt wordt gesmoord in een overjas van literaire verwijzingen en citaten. Het lijkt alsof ze zich uitleeft in de rol van ‘de weduwe’, waarover ze in derde persoon spreekt. Dat ze binnen het jaar waarover ze schrijft al een relatie kreeg met haar volgende echtgenoot wordt verzwegen. Met enig zelfinzicht: ‘Is er een perspectief denkbaar van waaruit het verdriet van de weduwe louter ijdelheid is; narcisme; de pretentie dat je verlies zó speciaal is, dat er nooit een verlies is geweest dat er mee te vergelijken valt?’ Ja, dus.

Het wezenlijke verschil tussen deze twee boeken is dat Goldman volledig in beslag wordt genomen door Aura en door wie hij was mét Aura, terwijl Oates in beslag wordt genomen door Oates. Dat mag, want wie rouwt is hopeloos alleen met zichzelf, maar boeiende literatuur levert dat niet op. De gedetailleerde, liefdevolle, eerlijke en openhartige wijze waarop Goldman zijn vrouw oproept, en ja, zijn soms weinig flatteuze noodsprongen, geven Zeg haar naam een fel kloppend hart. ‘Als ik nu langs Katz’s Deli loop,’ schrijft Goldman, ‘blijf ik altijd even staan om in zwijgende verwarring naar de grond te staren, naar de lange zwart-grijze welving van het trottoir, de lege lucht daarboven. Soms ga ik op de plek staan waar ze buikkramp kreeg en fluister: Bedoel je naar mijn huis?’

Ergens formuleert Goldman scherp wat zijn rouwkroniek drijft: ‘Ik ben doodsbang om jou in mij te verliezen.’ Een schrijver bezit, meer dan enig ander, het instrumentarium het verlies te vertragen. Oates heeft de kans gemist die Goldman met beide handen heeft aangegrepen. Met Zeg haar naam creëerde hij het ultieme verbindingsobject. Binnen de beperking van wat mogelijk is, heeft hij de dood verslagen en zijn geliefde weer tot leven gewekt.