Wisecracks

Bij de Algemene Beschouwingen is het opnieuw bewezen: in de Nederlandse politiek heeft zich een nieuwe retorische traditie gevestigd. Vroeger was in de Tweede Kamer het toppunt van meningsverschil bereikt als een afgevaardigde boos naar zijn tegenstander begon te kijken en dan plotseling riep: Dat hebt u mij niet horen zeggen! Daarna greep de voorzitter in, de Kamerleden kalmeerden en gingen zich in lange zinnen met bijzinnen verder aan het landsbelang wijden. We hebben het met de komst van Pim Fortuyn nog niet meteen beseft, maar daarmee is het einde van die periode ingeluid. Ik herinner me een markant incident: hij kreeg ruzie met een journaliste, schudde meewarig zijn hoofd en zei: ‘Ach mevrouwtje, ga koken’. Een historisch ogenblik.

Daarna heeft Geert Wilders zijn entree gemaakt. Al snel onderscheidde hij zich door zijn oneliners en wisecracks. Het spijt me, ik weet er geen Nederlandse vertaling voor. Geintje, zegt mijn woordenboek, bedoeld om iemand aan het lachen te maken. Nee, deze interventies zijn bedoeld als hatelijke voltreffers. En hij heeft er talent voor. Neem zijn kopvoddentaks. Veel godsdiensten willen dat de gelovigen op een bijzondere manier hun hoofd bedekken, maar Wilders heeft het uitsluitend op de islam voorzien. Zijn probleem. Maar kopvod blijft een goed woord. Het zou me niet verbazen als het in de Dikke Van Dale werd opgenomen. Een moskee is een haatpaleis, dat vind ik wat minder. Knettergek is al tot het spraakgebruik doorgedrongen. Afgezien van zijn politieke denkbeelden: Wilders is een taalvernieuwer. Dat geldt ook voor de manier waarop hij discussie voert. Het tot dusver beste voorbeeld daarvan gaf hij in zijn dialoog met premier Rutte. Het ‘Doe eens normaal man.’

In zijn column op de voorpagina van de Volkskrant noemde Arnon Grunberg deze gedachtenwisseling infantiel. Hij heeft gelijk. Ik voeg er iets aan toe. Deze infantiliteit breidt zich gestaag uit. Eindelijk wordt in Den Haag begrepen wat door de kiezers leuk wordt gevonden, en daar gaat het tenslotte in deze tijd om.

Plotseling dacht ik aan een oude film. Die begint met een scène waarin vier Italiaanse jongeren op het strand van Ostia om een koffergrammofoon zitten. Uit het geluidsgat klinkt de stem van iemand die zich langzaam tot de top van razernij opwerkt. Steeds harder geschreeuw, een korte pauze, dan nog meer razernij. Ik begrijp er niks van, zegt een van die jongens, maar het klinkt prima. Aan het woord is Rijkspropagandaminister dr. Joseph Goebbels, op 18 februari 1943, in het Berlijnse Sportpalast. Hij houdt zijn beroemde rede ‘Wollt Ihr den totalen Krieg’, en de massa’s brullen ‘Ja!’ Dan zegt hij zachtjes terzijde: ‘Diese Stunde der Idiotie’. Hij heeft gelijk, want daarna marcheert het Rijk verder de afgrond in. Overigens is deze redevoering een schoolvoorbeeld van geslaagde retoriek.

In Den Haag hebben we geen meeslepende redenaars meer. Misschien is de communist Marcus Bakker de laatste. Ter ere van zijn talent is in het Tweede Kamergebouw een zaal naar hem genoemd. Verlangen we naar de terugkeer van de welsprekendheid? Of moeten we tot op zekere hoogte blij zijn met de infantilisering?