'Uit volle overtuiging trouwen, en anders niet'

In een driedelige reprise van de rubriek ‘Familiefoto’ vertelt Hellen Tonglet over de vroege jaren tachtig: jeugdwerkloosheid, gratis feesten en een lat-relatie.

Hellen Tonglet: „Dit was op vakantie in Frankrijk. We trokken met een groep vrienden uit Tilburg rond in een grote Mercedesbus, met tentjes achterin. Bard en ik woonden niet samen, maar we deelden de zorg over Tes.

We hadden elkaar ontmoet in jongerencentrum de Lieve Hemel in Hilvarenbeek. Bard en ik zaten daar allebei in het bestuur en organiseerden gratis feesten, de Bikse Fiste, omdat we vonden dat cultuur voor iedereen toegankelijk moest zijn. Lieve Hemel was ook de thuisbasis van de RK Veulpoepers BV, waarvan Bard een van de frontmannen was. Hij zong en speelde sax en klarinet. Dat RK was een knipoog naar het katholieke zuiden, natuurlijk. De Veulpoepers speelden elektronische volksliedjes met maatschappijkritische teksten en traden een paar keer per week ergens in Nederland op. Ik ging mee om platen te verkopen.

De jeugdwerkloosheid was enorm in die jaren. Velen van ons leefden van een uitkering. We waren links. Vanuit de Veulpoepers probeerden we zelf werk te creëren: we vormden een stichting en richtten een fanfare, een uitgeverij, een drukkerij, een zaal voor optredens, een kindertheater en een kollektief kafee op. Ik heb heel wat biertjes getapt.

Bard was een populaire jongen. Hij was gesjeesd bij medicijnen en had zijn naam toen hij zanger werd van Bart in ‘Bard’ veranderd. Hij onderscheidde zich daarmee van de autoritaire, traditionele vader naar wie hij vernoemd was. Ik had mezelf in mijn rebelse fase ook een andere naam gegeven. Als meisje heette ik Wilma; op de middelbare school werd ik Hellen. Ik had een bloedhekel aan school. Ik deed zeven jaar over de havo en hield het maar een jaar vol op de sociale academie, waar de democratisering in volle gang was en waar je helemaal geen onderwijs meer kreeg.

Ik genoot van de band, van hun grapjes en flauwigheid, het ’s avonds doorhalen bij het kampvuur. Bards energie paste bij me: we waren allebei fel, wat wrijvingen gaf, maar ook veel plezier. Maar Bard was bezet en ik had ook een relatie. Pas na zes maanden waren we vrij om officieel een koppeltje te vormen. Bard bleef in zijn woongroep, ik had mijn eigen etage.

Bard schrok zich te pletter en wilde meteen trouwen toen ik ontdekte dat ik zwanger was. Dat leek mij geen goede gang van zaken. Ik wilde uit volle overtuiging trouwen, en anders niet. Ik was ook niet bang voor het moederschap. De bommoeders waren in opkomst, en ik was gewend om zorg te dragen. Mijn vader was overleden toen ik zes was, en daarna werd ik mijn moeders rechterhand. Bard wist niet of hij in staat zou zijn om een goede vader te worden. Bij de start van de bevalling viel hij twaalf keer flauw.

Toen Tes er eenmaal was, zei ik tegen hem: als jij vader wilt zijn, dan moet je dat laten zien door wat je doet. Dat maakt je tot vader.

Bard pakte dat goed op. Hij was dol op Tes, en zij op hem. Later hebben we nog een tweeling gekregen, Bob en Nik. Onze relatie is verbroken, maar tot aan Bards vroege dood hebben we de kinderen samen opgevoed.

Bard was doorgaans een vrolijke gangmaker, zoals op deze foto. Maar kort hierna ontstonden strubbelingen in de band, die resulteerden in de opheffing van de Veulpoepers. Bard was niet alleen zijn voornaamste bron van inkomsten kwijt, maar ook zijn sociale anker. Ik ontdekte nu pas hoezeer hij met de band verweven was. Hij heeft nooit meer echt z’n draai kunnen vinden.”

Boven is haar praktijk: een kleurige kamer met speelgoed voor de kinderen die ze er opvangt. Een kind kan gesprekken over de dood best aan, zegt ze. Het is beter dan zwijgen.

In oktober verschijnt bij De Arbeiderspers ‘Familiealbum’: een bloemlezing van de mooiste afleveringen uit deze rubriek, aangevuld met nieuw materiaal.