Theorie en praktijk in Brussel

In tijden van groeiende crisis pleegt de machtsvraag te escaleren. Zo ook in Europa waar met het oplopen van de eurocrisis steeds meer kapiteins op het schip lijken aan te monsteren.

Een dag voordat de Duitse Bondsdag in meerderheid instemde met het reddingspakket voor Griekenland, zette voorzitter José Barroso van de Europese Commissie in zijn jaarlijkse toespraak tot het Europarlement de hoofdkwestie op scherp gezet. Wie heeft het bestuurlijke primaat: de voorzitter van de Commissie, de president van de Raad of de regeringsleiders in Berlijn en Parijs? In persoonlijk termen: José Barroso, Herman Van Rompuy of Angela Merkel en Nicolas Sarkozy?

Barroso beantwoordde gisteren de vraag voor het Europarlement zelf. Zijn antwoord kan geen verbazing wekken. De economische euroregering die Merkel en Sarkozy voor ogen hebben en willen toevertrouwen aan ‘president’ Van Rompuy, is volgens hem een doodgeboren kindje. Als er een financieel-economische macht wordt gevormd om overal in de eurozone budgettaire discipline af te dwingen – en dat moet, vindt zo langzamerhand bijna iedereen – dan is de Europese Commissie in de ogen van Barroso het enige geëigende machtscentrum.

Het parlement beloonde Barroso met daverend applaus. Logisch. De voorzitter van de Europese Commissie is als een premier voor het parlement. Als hij aanspraak maakt op meer macht, dan wordt de positie van de parlementariërs navenant sterker. Van Rompuy heeft een mandaat dankzij de lidstaten en legt dus alleen verantwoording af aan de nationale staten.

Deze hybride structuur met botsende voorzitters zit ingebakken in het Verdrag van Lissabon. Zolang het goed ging, leek het compromis te werken: samen komen we er wel uit. Maar nu begint het te wringen.

En daarbij blijft het niet. Ook de klassieke balans tussen het behoedzaam federaal georiënteerde Europa (vaak gedragen door Duitsland) en het intergouvernementele Europa (het Franse axioma) raakt uit evenwicht. Boud gesteld: Berlijn denkt meer aan zichzelf. Raar is dat niet. Er zijn belastinggelden van de Duitse burger in het geding.

Alles beweegt, kortom. De claim van Barroso gisteren moet in deze context worden beoordeeld. In theorie heeft hij gelijk. De eurocrisis noopt eerder tot meer samenwerking dan tot minder. Brussel is daarbij het trefpunt. De voorzitter van de Europese Commissie is daar de enige die kan bogen op enig parlementair mandaat. De permanente president van de Raad is en blijft een benoemde functionaris. Maar de praktijk is toch weerbarstiger. Zonder Berlijn en Parijs is er geen machtsvorming mogelijk om werkelijk budgettaire discipline in Europa af te dwingen.

Op de claim van Barroso is een zinsnede uit de Dreigroschenoper van Bertolt Brecht van toepassing: „Doch die Verhältnisse, sie sind nicht so.”