Spreken Nederlandse rechters ook weleens shariarecht?

De grens bij toepassing van buitenlands recht ligt in Nederland bij de openbare orde. Dat wil zeggen: toepassing van buitenlands recht mag niet in strijd zijn met beginselen en waarden van juridische, sociale, of morele aard die hier fundamenteel worden geacht. Als buitenlandse wetten die op de islam zijn gebaseerd hier niet mee in strijd zijn, kunnen ze door Nederlandse rechters dus worden toegepast. En dat gebeurt ook regelmatig. In die zin spreken Nederlandse rechters soms recht volgens het shariarecht. In 2008 bijvoorbeeld toen een Utrechtse rechtbank een Iraakse wet uit 1959 toepaste om te beslissen over een bruidsschat. Een Iraakse vrouw wilde van haar Iraakse man scheiden. Ze eiste onder meer betaling van de (achterstallige) bruidsschat van 45.000 euro. Toen het stel trouwde hadden ze beiden de Iraakse nationaliteit. De man had daarnaast de Nederlandse nationaliteit. Ze woonden in Nederland. Maar in 2008 woonde alleen zij nog in Nederland en hij weer in Irak. Zij was bezig te naturaliseren tot Nederlandse. Hij wilde scheiden naar Nederlands recht. Zij naar Iraaks recht, vandaar haar eis om de bruidsschat.

Welk recht was van toepassing? De man zei dat hij de sterkste band met Nederland had en dat er geen reële band met Irak meer was. De vrouw wees erop dat haar man slecht Nederlands sprak en in Irak woonde. Dat weersprak de man niet. Iraaks recht dus, zeiden de rechters, want de band met Irak was het sterkst. Over de bruidsschat waren ze het met de vrouw eens. Een Iraakse bruidsschat is een uitgestelde vorm van alimentatie. Als die destijds niet was betaald, moest dat alsnog gebeuren.

Marek Zilinsky, universitair docent internationaal privaatrecht aan de Vrije Universiteit, vermoedt dat in de helft van de Nederlandse echtscheidingen met internationale raakvlakken, de rechter het buitenlands recht op deelterreinen, zoals het huwelijksvermogen, moet toepassen.