Ons volk heeft geen behoefte aan televisie

Zondag bestaat de tv in Nederland 60 jaar, maar in 1951 was het bijna niet door gegaan. Omroepen en kabinet waren tegen: „Televisie op dood spoor. Verder experimenteren zinloos.”

Het duurde allemaal veel te lang, vond de commentaarschrijver van het Algemeen Handelsblad. „Meent men nu werkelijk in Nederland de televisie te kunnen tegenhouden?” schreef hij op 19 mei 1951. „Dat zou een dwaze gedachte zijn. Men zal haar evenmin kunnen weren als men destijds de ontwikkeling van het filmwezen heeft kunnen tegenhouden.”

Toch zou het nog tot in de zomer duren voordat de regering definitief besloot dat er vanaf 2 oktober 1951 met nationale tv-uitzendingen kon worden begonnen. En in de tussentijd zag het er zelfs even naar uit dat er nog helemaal geen televisie in Nederland zou komen. Veel te duur.

Twee jaar later, toen het kabinet voor de vraag stond of „het televisie-experiment” moest worden voortgezet, vatte minister-president Willem Drees de bezwaren tegen het nieuwe medium bondig samen. „Met uitzondering van de technici van de PTT hadden de bevolking en de radioverenigingen niet zo veel belangstelling”, zei hij blijkens de notulen („zeer geheim”) van de ministerraad van 1 juni 1953. En bovendien wenste het kabinet de kiezers niet onnodig op kosten te jagen. „Het belangrijkste bezwaar acht spreker het uitlokken van het kopen van televisietoestellen op afbetaling”, aldus de notulist. Een tv-toestel zou immers 800 gulden kosten – en vrijwel niemand zou zo’n hoog bedrag contant kunnen betalen. Volgens het vergaderverslag kwam de druk eigenlijk maar van één kant: „De Minister-President herinnert eraan dat de Regering tot [...] het televisie-experiment hoofdzakelijk is gebracht door Philips.”

Philips wilde tv-toestellen verkopen, daar kwam het op neer. Op eigen kosten had het bedrijf al sinds 1948 tv-uitzendingen verzorgd, die alleen in en om Eindhoven konden worden ontvangen. Voor een landelijke doorstart was een zendvergunning van de overheid vereist. Maar die aarzelde. De militaire strijd in toenmalig Nederlands-Indië had de schatkist zodanig uitgeput dat het kabinet-Drees terugschrok voor een nieuwe kostenpost. Net als de Nederlandse bevolking trouwens, zo kort nadat de bezetting het land had uitgeput. „Ze zeggen dat we over twee jaar allemaal een televisietoestel hebben”, schreef Annie M.G. Schmidt in 1950 in Het Parool. „Ik moet het eerst nog zien, want zoals we hier allemaal zitten, hebben we nauwelijks geld voor een eenvoudige muizenval.”

Intussen namen de omroepverenigingen een dubbelzinnige houding aan. Enerzijds vonden ze dat de overheid de kosten moest dragen. Anderzijds wensten ze wel een claim te leggen. Ze hadden net een fel gevecht achter de rug om hun radiozendtijd terug te krijgen nadat ze tijdens de oorlog opzij waren gezet door een nationale, genazificeerde omroep. Het kon natuurlijk niet de bedoeling zijn dat er nu televisie zou komen zonder dat de omroepen daarop enige invloed hadden.

Mede namens zijn Hilversumse collegae verklaarde VARA-secretaris J.B. Broeksz „dat ons volk geen reële behoefte heeft aan televisie”. Het kwam gewoon nog te vroeg, vond hij, en dat lag aan Philips: „Als wij geen nationale industrie hadden die zich op dit terrein moet bewegen wil zij in de wereld niet achterblijven, dan zouden wij ons in dit stadium zeker de weelde van televisie niet veroorloven.”

Maar de Philips-lobby was uiterst vasthoudend. Tegenover de pers waarschuwde president-directeur ir. P.F.S. Otten zelfs dat Philips „ten gronde” zou gaan als er niet snel een nationale televisiezender zou komen. Om de zaak extra onder druk te zetten, begon het bedrijf in het voorjaar van 1951 al met het inrichten van een tv-studio in het Irene-kerkje in Bussum. Otten dreigde dat Philips daar desnoods zelf met uitzendingen zou beginnen als de regering niet snel tot zaken kwam met de omroepen. Prompt maakte de regering toen bekend dat niemand kon uitzenden zonder vergunning – en daarvoor zou een particuliere onderneming als Philips nooit in aanmerking kunnen komen. Philips toonde zich daarop bereid de nieuwe tv-studio, inclusief regie en technici, gratis ter beschikking te stellen aan elke instantie die van Den Haag een zendvergunning had gekregen.

Dat laatste heeft misschien de doorslag gegeven. Nadat regering en omroepen in mei van dat jaar nog danig hadden gesteggeld over de verdeling van de kosten, werd er in het begin van de zomer een compromis bereikt. Er zou een experimentele periode komen van twee jaar, waarin twee keer per week een tv-avond werd verzorgd. De regering nam de exploitatie van de zender Lopik voor haar rekening, terwijl de omroepen elk 150.000 gulden op tafel legden voor de programma’s. En men ging graag in op het aanbod om gratis gebruik te maken van de Philips-studio en de Philips-staf. Verder werd er een kijkgeld van 30 gulden per jaar ingesteld, maar dat zal in het prille begin niet veel hebben opgeleverd. Toen de uitzendingen – zestig jaar geleden – begonnen, waren er in Nederland nog maar nauwelijks 500 huiskamers waar een tv-toestel stond.

Erg snel groeide dat aantal niet. De programma’s waren niet aantrekkelijk genoeg. „Het publiek vraagt meer actueel nieuws, meer amusement en minder politiek en reclame voor de omroepverenigingen”, constateerde de afdeling Zuid-Holland-Noord van de Nederlandse Vereniging van Radiohandelaren in een brandbrief aan het kabinet. En ook De Telegraaf vertolkte de stem des volks: „Televisie op dood spoor. Verder experimenteren zinloos”.

Eind juli 1953 ging het scherm op zwart, omdat de experimentele periode van twee jaar voorbij was. Volgens een NIPO-enquête stemde 32 procent van de ondervraagden vóór voortzetting en 28 procent tegen. Maar liefst 40 procent had geen mening.

De beraadslagingen in het kabinet kostten echter weinig tijd. Nu er al enkele duizenden toestellen waren verkocht, kon men er niet meer mee stoppen. De notulen van de ministerraad zijn er kort over: „De Raad besluit dat met de televisie-uitzendingen na 1 October zal worden doorgegaan.”