Nieuwe schoonheid - het is er al

Schoonheid en hedendaagse kunst hebben een moeizame verhouding. Kunstcriticus Hans den Hartog Jager maakte een tentoonstelling en een boek over de vraag hoe schoonheid weer betekenis kan krijgen. Een voorpublicatie.

e ervaring met Olafur Eliassons The weather project in de Turbine Hall in Londen mocht dan indrukwekkend zijn geweest, dat gevoel verdween ook weer – natuurlijk. Sterker nog, nadat het licht was vervaagd en de ruimte herinnering werd, kwam de twijfel over deze installatie met zinderende zon. Wat had ik nu eigenlijk gezien? Had Eliasson een briljant kunstwerk gemaakt of was het toch een pretparkinstallatie, overgoten met een artistieke saus? Langzaam werd de herinnering als een droom – soms vroeg ik me af of ik me daar, in Tate Modern, niet enorm had lopen aanstellen. Dat werd nog versterkt doordat het werk in artistiek opzicht weinig navolging leek te krijgen. Eliasson zelf ging wel steeds grotere projecten doen (watervalletje hier, verbouwde brug daar) maar die waren nooit zo subliem als zijn zon.

Ook de Indiase kunstenaar Anish Kapoor was duidelijk zoekende: zijn werk werd groter, maar niet bepaald intenser. Alleen de Amerikaan James Turrell werkte ergens in de woestijn met volle ambitie door aan zijn levenswerk. Pas later, terug in Nederland, drong tot me door hoezeer Eliassons bol had geleken op foto’s van de Roden Crater, de oude, uitgewerkte vulkaan die Turrell al meer dan dertig jaar aan het verbouwen was tot het grootste en meest ambitieuze kunstwerk op aarde. Alleen: het kwam maar niet af. De vraag was zelfs of dat ooit ging gebeuren.

Ik was er dan ook niet bepaald op voorbereid dat schoonheid en het sublieme opnieuw binnen mijn blikveld zouden komen, en al helemaal niet in Zwolle. Zo’n anderhalf jaar geleden vroeg Ralph Keuning, directeur van De Fundatie, me een tentoonstelling te maken in zijn museum. Omdat ik aarzelde, nodigde hij me uit voor een rondleiding en vertelde daarbij over de ontstaansgeschiedenis van zijn collectie. De Fundatie is gebouwd op de nalatenschap van Dirk Hannema, de voormalige directeur van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, die tegenwoordig vooral bekend is doordat hij nogal wat vervalsingen aankocht. Zo was Hannema medeverantwoordelijk voor de aanschaf van Han van Meegerens Emmausgangers, zo langzamerhand de beroemdste vervalsing uit de twintigste eeuw. Zelfs toen Hannema kort na de Tweede Wereldoorlog werd ontslagen en zich terugtrok op zijn kasteeltje in Overijssel ging hij stug door met het aankopen van werken van dubieuze aard – hij schafte onder andere nog zeven schilderijen aan die hij (onterecht) hield voor Vermeers. Het gevolg daarvan was, zo vertelde Keuning met een grijns, dat de Fundatie-collectie in het verleden nogal had geworsteld met een twijfelachtig imago. Zozeer zelfs dat tot en met de jaren negentig bijna niemand zich realiseerde dat het museum ook heel wat bijzondere werken bezat, om de simpele reden dat Hannema het ook wel eens bij het rechte eind had. Keuning nam me mee langs een zaaltje met Ter Borchs („schitterend!”), langs een Mondriaan („vind je ’m niet mooi?”) een Picabia („prachtig hè?”) – en dan had hij ook nog een Severini en een Turner. Wist ik trouwens dat er de vorige zomer in de Fundatiekelders een schilderij was opgedoken dat decennialang voor een valse Van Gogh was gehouden en dat een echte bleek te zijn?

Nu drong pas tot me door wat Keuning had gezegd. Turner? Hadden ze hier een Turner? Opmerkelijk – ik had nog nooit een olieverfschilderij van Joseph Mallord William Turner in een Nederlandse openbare collectie gezien. Keuning troonde me mee naar een kabinet en ik kon mijn verbazing nauwelijks onderdrukken: daar in een hoekje, pronkte een Turner – een zeestuk. Alles wat de Engelse schildersvorst vanaf 1830 tot zo’n groot kunstenaar had gemaakt zit erin: de verf schuimt en kolkt. Het water, niet meer dan een dunne blauwgrijze streep, is zo grijsgroen dat het bijna gras lijkt. De lucht is doortrokken van oranje en geel dat zindert alsof de schilder stiekem alvast naar Rothko had gekeken – het geheel riep associaties op met een klassieke Turner als The Slaveship. En priemde daar, net boven de horizonlijn, niet de kiel van een half gezonken boot in de lucht? Verbaasd keek ik Keuning aan. Die lachte en meldde dat het doek „zeer waarschijnlijk” echt was. Maar dat interesseerde me op dat moment niet meer – ik dacht eerst aan Eliasson, en toen aan het sublieme. Natuurlijk kwam dat allereerst doordat de meeste Turners in Londen hangen. Maar het verband ging verder. Zowel Turner als Eliasson deelt een liefde voor licht dat zowel hemels als vernietigend is. Een fascinatie voor de elementen. Allebei confronteren ze de toeschouwer graag met zijn eigen nietigheid. En, dat was misschien wel het bijzonderste, hun beider werken waren ondanks die vernietiging, ondanks dat ongemak, mooi. Niet mooi in de zin van prettig, lief en sudderend, maar van een schoonheid die je confronteerde met de grenzen van je bestaan – verdomd, door Turner was ik ineens weer terug bij Eliasson. Waarom had ik die link niet eerder gezien? Was er dan ook een verband tussen Turner en Barnett Newman? Stond Eliasson in een romantische, zeg maar gerust sublieme traditie?

Ging dit wéér over schoonheid?

Om eerlijk te zijn: over schoonheid had ik de afgelopen jaren al helemaal niet meer nagedacht. Of nog eerlijker: als onderwerp was het wel in mijn achterhoofd blijven knagen, maar elke keer dat ik een tentoonstelling bezocht van hedendaagse kunst, leek schoonheid me uit handen te worden geslagen. Niet omdat kunstenaars er niet mee bezig waren, maar omdat het ingewikkeld was. Schoonheid in de hedendaagse kunst dook op in alle soorten en maten. Je zag kunst die welbewust lelijk was (vooral de zogenoemde ‘troepsinstallatie’ nam al jaren een hoge vlucht), kunst die het esthetische negeerde (conceptuele kunstenaars als Bruce Nauman en Stanley Brouwn) en ook kunst die wel conceptueel was, maar ook opvallend mooi (David Claerbout, Francis Alÿs). Er was geen peil op te trekken. Hoogstens vielen er twee dingen op: dat er nauwelijks meer een norm voor schoonheid leek te bestaan en dat je zelden een hippe, hedendaagse kunstenaar zag die in zijn of haar werk schoonheid als enige of hoogste doel nastreefde. Had dat te maken met modern cultuurrelativisme? Met het idee dat schoonheid ‘volkomen’ subjectief was? Dat laatste speelde zeker mee: als ik wel eens met iemand over schoonheid doorpraatte liep dat gesprek steevast dood in de constatering dat er ‘helaas’ geen objectieve normen voor schoonheid bestonden, en al snel vlogen de platitudes in de categorie ‘smaken verschillen’ heen en weer. Tegelijk, en dat was ook opvallend, kwam ik nooit iemand tegen die het bestaan van schoonheid in de kunst ontkende. Hoe dat werkte had ik net nog mooi kunnen constateren tijdens Keunings rondleiding. Die gebruikte voortdurend bijna-synoniemen als ‘mooi’, ‘prachtig’ en ‘bijzonder’ maar deed dat wel bij heel verschillende kunstwerken, die allemaal beantwoordden aan heel verschillende esthetische normen. Of het nu de klassieke Canova was, de vroege, bijna expressionistische Mondriaan, of de zweverige, kitscherige Picabia, telkens gebruikte Keuning de term ‘mooi’ om zijn waardering uit te spreken, terwijl we allebei heel goed wisten dat ieder van die ‘mooi’en’ verwees naar een heel ander stelsel van esthetische en inhoudelijke waarden. Of, om het simpeler te zeggen: het ‘mooi’ bij Canova was op een andere manier mooi dan het ‘prachtig’ bij Mondriaan of het ‘schitterend’ bij Turner. Bij Keunings waardering speelde altijd de tijd waarin het werk gemaakt was mee, de ideeën erachter, de manier waarop het aan die ideeën beantwoordde. Maar, en dat was zeker zo opvallend, Keuning en ik vonden het allebei niet nodig die verschillen nader uit te werken. ‘Mooi’ was wel genoeg. Betekende dat dat ‘mooi’ en soortgelijke esthetische begrippen waren uitgehold tot niet meer dan vage, appreciërende termen? Of waren Keuning en ik, ondanks ons verschil in smaak, er diep in ons hart van overtuigd dat deze werken raakten aan een soort, nou ja, universele kwaliteit?

Dit is een bewerkt fragment uit het boek van Hans den Hartog Jager Het sublieme – het einde van de schoonheid en een nieuw begin. Uitg. Athenaeum, 184 pag. €19,95 Expositie Meer licht De Fundatie, Zwolle. T/m 8 jan. Inl. museumdefundatie.nl