Na zege rest vooral verdeeldheid

Nu de gemeenschappelijke vijand in Libië zo goed als geëlimineerd is, duiken tegenstellingen op bij de overwinnaars. De spanningen zijn regionaal en ideologisch.

Hisham Krekshi, de vice-voorzitter van het plaatselijk bestuur van Tripoli, is boos. „De Nationale overgangsraad praat alleen maar. Maar dit is niet de tijd voor praten, dit is de tijd voor handelen.”

Krekshi heeft een punt. De politieke leiders van de Libische opstand hadden de afgelopen maanden in het veilige Benghazi alle tijd om het post-Gaddafi-tijdperk voor te bereiden. De NAVO-landen die de opstand steunden met luchtbombardementen hadden daarop aangedrongen. Maar toen Tripoli viel, was er weinig te merken van een plan.

In Tripoli was er wel een plan, zegt Krekshi. „Toen er geen water was, hebben wij dat snel opgelost. Na drie dagen waren de bakkerijen weer open; we zijn begonnen vuil op te halen. Alles met onbetaalde vrijwilligers. Maar de Nationale overgangsraad gaat wel met de eer strijken”.

Het was in Libië altijd lastig om kritiek op de Overgangsraad op te tekenen: zolang Moammar Gaddafi aan de macht was, moest de opstand naar de buitenwereld eensgezind overkomen. Nu Tripoli gevallen is, komt die kritiek wel naar boven.

De Overgangsraad maakt dan ook geen goede beurt. Bijna twee weken geleden zou een nieuwe interim-regering worden voorgesteld, uitgebreid met vertegenwoordigers uit de recent bevrijde gebieden. Maar door interne ruzies is die regering er nog altijd niet. Nu zegt de Overgangsraad dat deze er pas komt als heel Libië bevrijd is, inclusief Sirte en Bani Walid, waar de ex-rebellen er maar niet in slagen om de laatste aanhangers van Gaddafi uit te schakelen.

Nu de gemeenschappelijke vijand min of meer verdwenen is, komen de interne spanningen vanzelf naar boven. Die lijken zich op twee vlakken te situeren. Er is een regionaal conflict. In de Overgangsraad is Benghazi, waar de opstand in februari begon, oververtegenwoordigd.

Tripoli is bang dat het nieuwe Libië gedomineerd zal worden door Benghazi, en de Overgangsraad doet weinig om die angst weg te nemen. Veel ‘ministers’ zijn nog altijd niet naar Tripoli verhuisd en de mogelijkheid is geopperd dat sommige ministeries in Benghazi blijven. Voeg daarbij het gerucht dat er een plan is om zetels van de oliebedrijven naar Benghazi te verhuizen, en de angst van Tripoli wordt begrijpelijk.

Het tweede conflict is ideologisch: de seculieren tegen de moslimfundamentalisten. Libië is een erg vroom land, en de seculieren zijn oververtegenwoordigd in de Overgangsraad. Zij hebben eerder al in het zand gebeten toen de Moslimbroeders de voorlopige grondwet, waarin de islam als ‘een’ bron van wetgeving was opgenomen, lieten openbreken om er ‘de’ bron van te maken.

Het religieuze conflict werd onlangs op de spits gedreven door Ali Sallabi, een religieuze leider, die premier Mahmoud Jebril heeft beschuldigd van „extreem secularisme” en de Overgangsraad van een „nieuwe tirannie”. In Tripoli werd daarop dagenlang betoogd door Jebrils aanhangers tegen de „verrader” Salabi.

Jebril en Mustafa Abdel Jalil, Libiës de facto staatshoofd, helpen de zaak niet door hun afwezigheid: op het hoogtepunt van de strubbelingen over de regeringsvorming vertrokken zij naar New York voor de Algemene Vergadering van de VN.

Vermoedelijk denken zij dat ze zich dat kunnen permitteren: omdat ze de officieel erkende vertegenwoordigers van het Libische volk zijn, komen buitenlandse hulp, bevroren tegoeden van Gaddafi en de olie-inkomsten uiteindelijk toch bij hen terecht. Maar nu ligt het terrein wel open voor mensen als Sallabi.

Veel waarnemers maken zich ook zorgen over de talrijke milities. Na de val van Tripoli hebben die zich allemaal rijkelijk bediend in de wapensupermarkt die het nieuwe Libië is. De vrees bestaat dat dit de basis kan leggen voor een tribaal conflict.

Of de tegenstellingen tribaal zijn is lang niet zeker. Het lijkt het erop dat gedeelde ervaringen tijdens de oorlog even belangrijk zijn. De rebellen uit Misrata en de Westelijke Bergen claimen allebei de verovering van Tripoli. Misrata, dat als geen andere stad heeft afgezien tijdens een maandenlang beleg, ziet zichzelf als de enige echte erfgenaam van de revolutie. Maar er zijn ook tekenen van toenadering tussen de rebellen van Jadu, in de Westelijke Bergen, en Benghazi.

Genoeg stof dus voor een rampscenario. Maar Daniel Serwer, bezoekend hoogleraar van de Johns Hopkins-universiteit in de VS en een expert in naoorlogse heropbouw, waarschuwt tegen overdreven pessimisme. „Laten we niet uit het oog verliezen dat Libië tot nog toe een geweldig succesverhaal is”, zegt Serwer, die ervaring heeft in Irak, Afghanistan en ex-Joegoslavië.

„Ik heb zelf nooit een betere naoorlogse situatie gezien. De infrastructuur is intact, er is 30 miljard dollar beschikbaar uit de bevroren tegoeden van Gaddafi in het buitenland, en er is geen religieus conflict zoals tussen shi’ieten en sunnieten in Irak. Met Mustafa Abdel Jalil hebben ze bovendien een uitstekend overgangsfiguur, iemand die populair is en die duidelijk niet uit is op persoonlijk gewin.”

Het kan allemaal ook fout aflopen, geeft Serwer toe. „De uitdaging is: hoe bewaar je de eenheid op een moment dat politieke diversiteit zich manifesteert? Maar ik ben hoopvol: er zijn echt heel veel mensen in Libië die het goed menen.”