Hot Pastrami!

Een buurman, groot liefhebber van klassieke muziek, liet mij Spiegel im Spiegel van Arvo Pärt horen. Een schitterend, ongeveer tien minuten durend stukje muziek. Pärt, nu 76 jaar, schreef het in 1978, kort voor hij zijn geboorteland Estland verliet. Mijn buurman kende er vele uitvoeringen van, maar hij vond de versie die hij mij liet horen de mooiste: zo minimaal mogelijk, alleen met viool (Vladimir Spivakov) en piano (Sergej Bezrodny).

Voor mijn lekenoren klonk het als volgt: de piano rijgt parels van dauw aan een teer snoer en daaromheen wikkelt zich de klimop van de viool, zacht maar vasthoudend. U ziet, ik doe mijn best, maar u kunt het beter even zelf op internet opzoeken. Sommigen zal de melodie vaag bekend voorkomen, want ze wordt nog wel eens gebruikt in films.

„Deze muziek mogen ze op mijn begrafenis spelen”, zei mijn buurman, en ik kon goed horen dat hij het meende.

Ik knikte, maar later vroeg ik me weer eens af of het eigenlijk wel zo aanbevelenswaardig was, dat draaien van melancholieke, soms ronduit sombere, klassieke muziek bij begrafenissen. Ik kan er steeds minder goed tegen. Je zit al terneergeslagen bij elkaar in een doorgaans kleine ruimte, je moet daar een aantal van droefheid doordrenkte toespraken incasseren en ten slotte word je bijna méé het graf ingedreven met hartbrekende treurmuziek.

Ik red dat niet meer. Zelfs wanneer het om doden gaat die ik nooit zo erg mocht, zit ik te slikken en te snikken. De overledene was dan wel een hufter die nooit zijn lening aan mij had terugbetaald, maar dit gunde ik hem nou ook weer niet: in zo’n benauwde kist onbarmhartig het vuur of de aarde in.

Andere muziek dan maar?

Welke dan?

Je kunt aan een toepasselijk lied van bijvoorbeeld Rob de Nijs denken. Zijn Zo zal het zijn wordt regelmatig op begrafenissen afgespeeld. Doof nu het licht en sluit je ogen/ En vergeet de strijd/ Jouw leven hier is omgevlogen/ Maar jouw liefde blijft.

Rouwkitsch dus. Mijn ervaringen daarmee zijn nog slechter. Ik begin ter plekke langzaam maar zeker onbedaarlijk te jammeren, alleen al van de gedachte dat alles inderdaad, zoals al enigszins gevreesd, volkomen vergeefs is geweest: eerst dat zware leven en dan, als ultieme afstraffing, die vreselijke muziek.

Wat te doen? Volgens mij moet het rouwroer radicaal om. Laten we muziek afspelen die ons lang geleden op sommige momenten het elan gaf om het leven opgewekt tegemoet te treden.

Mijn keus, schrik niet, valt dan op Hot Pastrami with Mashed Potatoes, een liedje uit 1961 van Joey Dee and The Starliters, een Amerikaans bandje dat korte tijd beroemd was met de Peppermint Twist; ze hebben in Europa zelfs nog met The Beatles opgetreden. Het is de primitiefst denkbare rockmuziek. Je hoort een monotone drum en een razend pompend orgeltje en daar bovenuit Joey Dee die alleen maar dingen schreeuwt als: „Mashed Potatoes! Yeah!Yeah!Yeah!” en „Hot Pastrami! Yeah! Yeah! Yeah!” Af en toe voegt hij er al even opgewonden aan toe: „Mama, shake that thing!”

Zo gaat het ruim vier minuten door. Geen zang, geen melodie, laat staan een spiegel in de spiegel. Alleen maar ritme en rumoer.

Ik was vijftien jaar toen ik die muziek voor het eerst hoorde, ik wist niet eens wat pastrami was, maar ik besefte toch dat het leven ook leuk en opwindend kon zijn. Ze mogen het bij mijn crematie draaien. Wees niet verbaasd als ik uit de vlammen terugroep: „Yeah! Yeah! Yeah!”