Het Nederlands belang

In zijn Memorie van Toelichting schrijft minister Rosenthal: „De regering stelt, meer dan in het verleden, het Nederlands belang centraal”, en voor de zekerheid herhaalt hij dit twee pagina's verder. Die uitspraak heeft tenminste de verdienste duidelijk te zijn. De minister draait niet om de hete brij en noemt het beestje bij zijn naam.

Maar is hij wel zo duidelijk? Wat immers is het Nederlands belang? Daarover verschillen de meningen. De een zegt dat dit het Nederlands belang is en de ander het omgekeerde. Kortom, het Nederlands belang valt niet objectief vast te stellen. Het is als schoonheid, die, zoals een bekende uitdrukking wil, lies in the eye of the beholder.

Iemands kijk op het nationaal belang hangt af van vele factoren: maatschappelijke, religieuze, ideologische en andere. In een bespreking van Kissingers boek over China schrijft Mia Doornaert in De Standaard: „De les uit het boek is dat een ‘belangendiplomatie’ een bedrieglijk simplistisch begrip is. Want de manier waarop een land zijn belangen bepaalt, hangt zeer sterk af van hoe het zijn geschiedenis en zichzelf ziet, en daarin zit een enorme emotionele factor.”

Toch is er, anders dan bij schoonheid, wel een maatstaf waaraan, maar dan achteraf, gemeten kan worden of een bepaald beleid in het Nederlands belang is geweest: heeft het beleid zijn doel bereikt of heeft het gefaald? Rosenthals voorganger Bot erkende in 2005 dat Nederland met zijn reactie op het Indonesische onafhankelijksstreven tussen 1945 en 1949 „aan de verkeerde kant van de geschiedenis” had gestaan. Dit beleid was dus niet in het Nederlands belang geweest.

Niettemin blijft Rosenthals uitspraak in zoverre welkom als zij breekt met de gewoonte het Nederlands belang – wat dit ook moge zijn – in dienst te stellen van hogere belangen. Lange tijd was de uitdrukking in het politieke discours taboe of werd het als een vies woord beschouwd: nationaal belang was nationalisme, en dat was helemaal verkeerd.

Maar was het beleid dat diegenen bepleitten die zo dachten, dan niet in het nationaal belang? Zelfs het streven de nationale staat te doen opgaan in een verenigde staten van Europa, kan worden geconstrueerd als in het nationaal belang te zijn. Zij die zo dachten, beweerden zeker niet dat het tegen het nationaal belang was.

Enige jaren nadat de PvdA Den Uyl, ondanks tien zetels winst bij de verkiezingen van 1977, zijn tweede kabinet niet had gegund, werd ik uitgenodigd met hem in een forumdiscussie te debatteren. Anders dan de organisatoren hadden verwacht, zei ik dat ik het over ’t algemeen wel eens was geweest met het buitenlands beleid van zijn kabinet, omdat dit grosso modo in het Nederlands belang had gehandeld. Den Uyl begon tegen te sputteren en haalde als tegenargument Pronks ontwikkelingsbeleid aan. Maar achtte hij dan dit beleid niet in het Nederlands belang? Ook hij leefde in de illusie dat het nationaal belang per definitie iets verkeerds was.

Interessant was dat Den Uyl niet het Europese beleid van zijn kabinet als tegenargument noemde. Die omissie had een goede reden: Den Uyl was helemaal niet zo’n fervente ‘Europeaan’ als vele partijgenoten toen nog waren. Zijn minister van Defensie, Vredeling, noemde hem daarom eens, in een berucht interview, de grootste nationalist die hij kende. En zijn minister van Buitenlandse Zaken, Van der Stoel, was om andere redenen minder Europeesgezind.

Intussen is gebleken dat het Europese eenheidsideaal zich minder gemakkelijk laat verwezenlijken dan toen nog werd gedacht. Ja, het is, volgens dr. Jan Werts in een artikel in de Internationale Spectator (september 2011), „allemaal precies andersom gegaan dan je vroeger op school leerde. Europa doet de nationale staat niet uitdoven. Nee, die nationale staat gebruikt de Europese Unie om zijn autonomie in steen te beitelen. Dankzij Europa blijven Duitsland en Frankrijk, maar ook ministaatjes als Luxemburg en Malta in hoge mate soeverein.”

En Nederland? „Alleen dankzij de euromarkt, de eenheidsmunt, uniforme milieutransport-, technologische, ja zelfs Europese universitaire en migratienormen kan Nederland een zelfstandige welvaartsstaat blijven.” Zet daarom, aldus Werts, in het debat tegen anti-Europese krachten, „de nationale dimensie voorop: ‘wat is goed voor Nederland?’ Dan is Europa wel te verkopen. Anders loopt het steeds verder vast.”

Opkomen voor het Nederlands belang – en daarvoor ook eerlijk uitkomen – is dus niet in strijd met het Europese belang, sterker nog: het dient het Europese belang. Trouwens, de Nederlanders zijn altijd, ook in de hoogtijdagen van de geestdrift voor Europa, taaie onderhandelaars geweest. Vraag dat hun Europese partners maar. Het Nederlands belang is nooit afwezig geweest. In zoverre is Rosenthal enigszins onrechtvaardig, wanneer hij zegt dat het kabinet-Rutte het Nederlands belang „meer dan in het verleden” centraal stelt. Zijn voorgangers deden dat ook, maar riepen het niet van de daken.