GGZ had beroepsgeheim moeten schenden bij Tristan van der V.

De hulpverleners van Tristan van der V. hebben de risico’s niet goed getaxeerd. Met de informatie die voorhanden was, hadden ze het beroepsgeheim moeten schenden en moeten overleggen met andere instanties. Bij GGZ Rivierduinen, waar Van der V. tot eind vorig jaar werd behandeld, wist men dat hij in het verleden gedreigd had met zelfmoord. En men wist dat hij aan vuurwapens wilde komen.

Dit schrijft de Inspectie voor de Gezondheidszorg in het vanochtend verschenen rapport over de behandeling van Tristan van der V. Hij schoot op 9 april zes mensen dood in een winkelcentrum in Alphen aan den Rijn en doodde daarna zichzelf. Van der V. was 21 jaar oud en leed al zeven jaar aan paranoïde schizofrenie.

Hij kreeg in 2008 een wapenvergunning van de politie. Die vergunning voor een semi-automatisch wapen „had Van der V. nooit mogen krijgen”, zei Tjibbe Joustra, voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, vanochtend. Die raad onderzocht na de schietpartij het stelsel van legaal wapenbezit.

De GGZ Rivierduinen wilde zijn dossier na de schietpartij niet aan het OM geven, omdat de patiënt is overleden. Maar ook tijdens zijn leven had de GGZ niets over Van der V. aan de politie gemeld, op grond van het medisch beroepsgeheim. „Het beroepsgeheim zorgt ervoor dat patiënten niet bang hoeven te zijn dat naar buiten komt wat er besproken of gedaan is”, schrijft de inspectie nu. „Er kunnen echter uitzonderingen nodig zijn op die geheimhouding, wanneer de hulpverlener via de behandelrelatie met de patiënt weet krijgt van het ontstaan van gevaar voor derden. Hulpverleners moeten weten hoe in dergelijke complexe situaties beschikbare informatie te wegen en te delen. In de casus V. is de richtlijn ten onrechte niet gevolgd.”

In het nieuws: pagina 4-5