Complot tegen Le Corbusier?

De gebouwen van architect Le Corbusier komen maar niet op de lijst van Werelderfgoed. Terecht of niet? Een pleidooi.

eer heeft Le Corbusier het niet gehaald. Deze zomer werden zijn gebouwen opnieuw niet op de werelderfgoedlijst van de Unesco geplaatst. Zes landen waar gebouwen van ‘dé architect van de 20ste eeuw’ staan, hadden 19 Le Corbusiers voorgedragen voor de lijst. Maar net als in 2008, toen onder meer Frankrijk, België en Duitsland nog meer van zijn gebouwen voordroegen, weigerde de cultuurorganisatie van de Verenigde Naties (VN) ze als werelderfgoed aan te merken. Op advies van de Icomos (International Council on Monuments and Sites) vond de Unesco de gebouwen ‘niet representatief’ voor het gehele oeuvre van Le Corbusier. Bovendien vond de Unesco eigenlijk maar drie gebouwen – de Villa Savoye in Poissy (1930), de Unité d’Habitation in Marseille (1953) en de Nôtre-Dame-du-Haut-kerk in Ronchamp (1954) – van buitengewone waarde. De andere, waaronder het klooster van La Tourette (1960), zijn blijkbaar niet zo bijzonder.

Voor wie Le Corbusier. A Life van Nicholas Fox Weber uit 2008, de eerste volledige biografie van Le Corbusier, heeft gelezen, is het geen verrassing dat de Le Corbusiers voor de tweede keer zijn afgewezen. Zijn hele leven voelde de Frans-Zwitserse architect (1887-1965) zich tegengewerkt door de Verenigde Naties. Hij geloofde zelfs in een VN-complot tegen hem. Ga maar na: Le Corbusier en zijn neef Pierre Jeanneret maakten in de jaren twintig het winnende ontwerp voor het hoofdkwartier van de Volkenbond in Genève, de voorloper van de VN. Maar dat ontwerp werd niet gerealiseerd, omdat conservatieve Volkenbondbestuurders de voorkeur gaven aan een saai, traditioneel paleis. Na de Tweede Wereldoorlog werd Le Corbusier lid van een team internationale architecten dat het VN-gebouw, dé opdracht van de 20ste eeuw, in New York moest ontwerpen. Maar anders dan hij verwachtte werd Le Corbusier niet de artistiek leider en raakte hij door gechicaneer van Amerikanen op een zijspoor. De rest van het team ging er volgens hem met zijn ontwerp vandoor.

Eind jaren vijftig schoof Frankrijk Le Corbusier naar voren als de ontwerper van het te bouwen Unesco-gebouw in Parijs. Maar weer liep het mis. Weer waren het de VS die, samenmet Groot-Brittannië, dwars lagen en een veto tegen hem uitspraken. Het was Le Corbusier toen al lang duidelijk: al was hij de grootste architect ter wereld, de VN moesten hem doodeenvoudig niet. En nog steeds niet, geloven de pleitbezorgers van Le Corbusier nu. „We kunnen het Le Corbusier-voorstel tien keer herzien, bij de Unesco zullen ze nooit tevreden zijn”, zei een van hen in Le Monde.

De moedeloze Corbu-fans hebben inderdaad reden tot klagen, zo leert een reis langs genomineerde gebouwen van Le Corbusier in Zuid-Frankrijk. Want al zijn die niet allemaal van het niveau van de kerk in Ronchamp, ze zijn wel stuk voor stuk buitengewoon. Neem bijvoorbeeld zijn gebouwen in Firminy, de kolenmijnstad bij Saint-Étienne die met zes gebouwen de grootste dichtheid Le Corbusiers in de westerse wereld heeft. Toegegeven, hiervan is de Unité d’Habitation uit 1967 beslist een mindere versie van die in Marseille van 14 jaar eerder. Het betonnen flatgebouw in Firminy laat zien dat God in de details schuilt en dat vereenvoudigingen van een wereldberoemd ontwerp niet ongestraft blijven: het is een tamelijk saaie doos.

Ook aan Le Corbusiers stadionnetje in Firminy is, op het merkwaardige dak in de vorm van een dikke plak beton na, weinig bijzonders te ontdekken. Maar beide gebouwen staan dan ook niet op de voordracht voor de werelderfgoedlijst. En het gebouw in Firminy dat er wel op staat, het Maison de la culture dat Le Corbusiers zwanenzang werd, is met zijn lange, extreem vooroverhangende façade, hellingbanen en ‘muzikale ramen’ ontegenzeggelijk spectaculaire architectuur.

Nog ‘iconischer’ is de Saint-Pierre-kerk in Firminy, een kruising tussen een schoorsteen van een oceaanstomer en een koeltoren. Maar ondanks zijn prozaïsche vorm heeft de kerk, door het hemelse licht dat door ‘lichtkanonnen’, nauwe spleten en minuscule ronde gaatjes naar binnen valt, een sacrale binnenruimte die ook ongelovigen stil maakt, zelfs als er verder niemand is.

Vreemd genoeg staat ook Le Corbusiers kerk in Firminy niet op de voordracht voor de werelderfgoedlijst. Misschien is de reden dat het gebouw pas in 2006, ruim veertig jaar na Le Corbusiers verdrinkingsdood, werd voltooid en daarom niet als een echte Le Corbusier kan worden beschouwd. Maar wie het op één na laatste deel van Le Corbusiers Oeuvre complète erop naslaat, moet vaststellen dat het ontwerp voor de kerk, dat bij Le Corbusiers dood in 1965 al was voltooid, uiteindelijk nauwgezet is uitgevoerd. En dus is het een echte Le Corbusier. Want architectuur is per definitie een conceptuele kunst die nooit wordt uitgevoerd door de ontwerper zelf, maar door bouwvakkers.

Bovendien was Le Corbusier een architect die altijd gebruikmaakte van de vindingen van de medewerkers van zijn bureau, al had hij wel grote moeite om ze hiervoor krediet te geven. Zo is een groot deel van het klooster van La Tourette, ten noordwesten van Lyon, ontworpen door de Griekse ingenieur-componist Iannis Xenakis. Hij is bijvoorbeeld de ontwerper van de ‘muzikale ramen’ die met hun ritmische horizontale en verticale geledingen karakteristiek zijn voor het klooster. Xenakis is ook de uitvinder van de ‘lichtkanonnen’, de betonnen pijpen die in de kloosterkerk en vooral in de crypte mysterieus licht naar binnen zuigen.

Voor Le Corbusier was het geen punt dat zijn medewerkers zijn gebouwen tekenden. ‘Ik heb nog nooit een lijn op een tekentafel gezet’, schreef hij eens in een brief. Daarom zou je heel goed kunnen beweren dat hij geen van zijn gebouwen, zelfs niet zijn eigen huis in Parijs, heeft ontworpen, vond hij. Maar dat betekende nog niet dat hij niet de geestelijke vader ervan was.

Ook voor het klooster van La Tourette zette Le Corbusier de grote lijnen uit. Hij was het die na een levenslange fascinatie voor de kloosters die hij in zijn jonge jaren in Italië en Griekenland had bezocht, had bedacht dat La Tourette een rechthoekig complex op hoge poten moest worden. En het was Le Corbusier die vond dat de kapel bij de bibliotheek een asymmetrische piramide als dak moest krijgen en dat de kloosterkerk een hoge, kale betonnen doos moest worden waar het licht zich door nauwe openingen naar binnen wurmt. Ook was hij het die Xenakis de suggestie deed om muzikale ramen te maken.

Zo is en blijft Le Corbusier de architect van het klooster van La Tourette dat als ‘hors categorie’-gebouw van de 20ste-eeuwse architectuur zonder meer thuishoort op de lijst van werelderfgoed.