Coach boetseert mooi maar zijn meiden missen 'grinta'

De EK-uitschakeling van de Nederlandse volleybalsters door Italië was niet echt een verrassing. Idealen genoeg, maar de vrouwen van coach Selinger stellen vaker teleur.

28-09-2011 VOLLEYBAL: EUROPEAN CHAMPIONSHIP ITALY - NETHERLANDS: MONZA (L-R) Francesca Piccinini, Laura Dijkema, Ingrid Visser ©2011-FotoHoogendoorn.nl
28-09-2011 VOLLEYBAL: EUROPEAN CHAMPIONSHIP ITALY - NETHERLANDS: MONZA (L-R) Francesca Piccinini, Laura Dijkema, Ingrid Visser ©2011-FotoHoogendoorn.nl Ronald Hoogendoorn

Verliezen van Italië, dat kan. Verliezen van Rusland ook. Dat zijn twee toplanden in het vrouwenvolleybal. Maar blijven verliezen van Italië en Rusland als je gelijkwaardige ambities hebt, dat kan niet. Daarom blijft Nederland het team van de idealen, niet van de daden.

Alsof er een oude film werd afgedraaid, zo voelde gisteren de wedstrijd Italië-Nederland in de kwartfinale van het Europees kampioenschap. Je gaat kijken in de hoop dat het Nederlands team eindelijk eens swingt en niet weer op een cruciaal moment door de tegenstander murw wordt geslagen. Je wacht op vloeiende aanvallen die door buitenaanvalsters knalhard worden afgerond. Je wacht op snelle combinaties tussen spelverdeelster en midspeelsters. En je wacht op fanatisme bij het verdedigen en meedogenloosheid bij de blokkering. Om de tegenstander beetje bij beetje te demoraliseren. Zo’n stijl verwacht je van een ploeg die Europees kampioen wil worden.

Het was er, volop. Bij tegenstander Italië. Maar veel te weinig bij Nederland om aanspraken op een plaats in de halve finale te mogen maken. En daarmee missen de volleybalsters hun zoveelste kans op een mooie prijs. Bovendien hebben ze zich wederom in een loodzwaar kwalificatietraject voor de Olympische Spelen van volgend jaar in Londen gemanoeuvreerd.

Met het Nederlands team onder leiding van bondscoach Avital Selinger is het vaak net niet. Of nog vaker: helemaal niet. Na twee vijfde plaatsen, in 2005 en 2007, werd Nederland in 2009 net niet Europees kampioen. In de finale werd verloren van, jawel, Italië. De ironie wil dat de speelsters blij waren met dat resultaat. Het halen van de finale werd als een groot succes gevierd.

De twee wereldkampioenschappen onder leiding van Selinger verliepen met een achtste en elfde plaats ronduit teleurstellend. Om over de Olympische Spelen maar niet te praten; Nederland plaatste zich noch voor Athene (2004) noch voor Peking (2008).

Selinger moet het na zeven jaar doen met de overwinning in de FIVB World Grand Prix in 2007. Een mooi resultaat, daar niet van, maar één die de reeks tegenvallers niet kan wegpoetsen.

Na zeven jaar kan de vraag gesteld worden of Selinger de aangewezen bondscoach is om dit Nederlands team naar grote hoogten te stuwen. Zijn vakmanschap staat niet ter discussie. En zijn positie bij de speelsters evenmin. Zij dwepen met hem. Wie aan Selinger komt, komt aan het team. Maar diezelfde speelsters missen wat de Italianen zo treffend grinta noemen en in het Nederlands als grimmig fanatisme omschreven kan worden. Een eigenschap die Slinger ze niet heeft kunnen bijbrengen.

En daarin schuilt de kern van het probleem met dit Nederlands team. Een speelster kan door Selinger nog zo mooi geboetseerd zijn, als zij die dierlijke wil om te winnen mist kan dat laatste stapje naar de hoofdprijzen onmogelijk gezet worden. Bij een kwalitatieve balans zal het verschil door mentale eigenschappen bepaald worden.

De Nederlandse speelsters hoefden gisteren maar naar de andere kant van het net te kijken om te weten wat er aan hartstocht gevraagd wordt om een moeilijke wedstrijd te winnen. De Italianen vloekten, bromden, gromden, leden, feestten en provoceerden en streden voor elk punt. Compromisloos. De Nederlandse speelsters staken daar bleek bij af. Er was een gebalde vuist bij een gewonnen punt. En de wil om te winnen straalde ook nog wel van ze af, maar nimmer met de grimmigheid van de Italianen.

Peter Blangé, de spelverdeler van het Nederlandse team dat in 1996 goud bij de Olympische Spelen in Atlanta won, raakte twee maanden geleden in deze krant nog de kern van dat probleem. Terugblikkend op ‘Atlanta’ zei hij: ‘Ik heb geleerd dat er maar één weg naar succes leidt: keihard trainen, veel spelen en meedogenloos zijn. Je moet de tegenstander niet het gevoel geven dat er wat te halen is en keihard voor elkaar zijn. Wij accepteerden geen domme fouten. Dat riep vaak weerstand op en leidde tot verstoorde relaties. Maar ondanks de karakterverschillen en strubbelingen wisten we dat we elkaar nodig hadden.’

Maar zo’n cultuur heeft Selinger bij de vrouwen niet gecreëerd. Hij is de coach van de redelijkheid, niet van de psychologie. De Nederlandse bondscoach gelooft in de kwaliteit van zijn werk. Als speelsters maar genoeg in zichzelf investeren, dan worden ze automatisch beter en komen de resultaten vanzelf. Selinger heeft met die aanpak een hechte groep gekweekt, maar geen weerbaar team. Eén zuchtje tegenwind en de volleybalsters vallen om. Pas als die vriendschappelijke cultuur wordt doorbroken is er kans op succes.

Selinger heeft nog één gelegenheid om zijn gelijk te bewijzen. Door Nederland door het oerwoud aan olympische kwalificatiewedstrijden te loodsen en komende zomer met een medaille uit Londen terug te keren. Zo niet, dan is zijn rol als bondscoach uitgespeeld.