We moeten hoognodig ergens in gaan geloven

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: is radicale kritiek op de moderne ‘massamens’ nu links of juist rechts?

Illustratie Ingrid van Halteren
Illustratie Ingrid van Halteren

Rob Riemen (1962) deed iets waar de meeste intellectuelen, zeker die van zijn leeftijd, alleen maar van kunnen dromen: hij mocht een toespraak houden op het Lowlandsfestival te Biddinghuizen. Riemen, directeur van het Nexus Instituut dat het Europese cultuurgoed bestudeert, gaf een college over modern fascisme, ook het onderwerp van zijn boekje De eeuwige terugkeer van het fascisme. Dat deed veel stof opwaaien, want Riemen noemt de PVV daarin een fascistische partij. Sterker nog: „Geert Wilders en zijn beweging zijn het prototype van hedendaags fascisme”, schrijft hij.

Sindsdien is Riemen voor sommigen een held, die zegt wat anderen denken, maar wordt hij ook gehekeld als een praatjesmaker, of een linkse subsidieslurper. Dat laatste vindt natuurlijk vooral de PVV, die Kamervragen heeft gesteld over Riemens rede op Lowlands en aandringt op het stopzetten van de subsidie aan het Nexus Instituut.

Maar ook van allerlei mede-intellectuelen kreeg Riemen harde kritiek. Historici Edwin Klijn en Robin te Slaa verweten hem in Trouw dat hij het verschil niet ziet tussen fascisme en rechts populisme. Criticus Arnold Heumakers concludeerde in NRC Handelsblad dat hij „in geestelijke eenvoud niet onder[doet] voor de populist tegen wie hij zich keert”.

Maar wat tot dusver een beetje onderbelicht blijft is iets anders: waar staat Riemen eigenlijk zelf voor? Is hij een extreemlinkse hobbyist of toch eerder, zoals Heumakers suggereert, een ‘reactionaire schoolmeester’?

Wie De eeuwige terugkeer van het fascisme er dan bij pakt, valt van de ene verbazing in de andere. Niet alleen biedt het boekje een prikkelende, maar nogal ruime omschrijving van fascisme, maar de inktzwarte diagnose van de moderne samenleving die Riemen stelt, is eerder conservatief dan politiek correct links of zoiets. Heel af en toe komt hij zelfs in de buurt van de ideeën van… jazeker, de PVV.

Wat is er volgens Riemen mis met ons? In het voetspoor van de Spaanse filosoof José Ortega Y Gasset, auteur van Opstand der horden (1930), zet Riemen zich af tegen de „massamaatschappij” en de „massamens”. Die zijn beide het gevolg van nihilisme, het verlies van „absolute waarden”. Hij vat de ellende zo samen: „De waarheid, het goede, de schoonheid bestaan allemaal niet. Al wat als zodanig wordt beschouwd, is niet meer dan ieders persoonlijke beleving en interpretatie.” Hij verwerpt zulk relativisme hartstochtelijk, want het vergiftigt de cultuur. „Met het verlies van geestelijke waarden verdwijnt niet alleen de moraal, maar ook de cultuur.” De massamaatschappij produceert een massamens, die zich gedraagt als „een verwend kind”, en denkt dat „alles is geoorloofd”. Hij heeft hier al Wilders’ PVV op het oog – volgens hem de personificatie van deze mentaliteit.

En zo komen we bij het fascisme. Dat is volgens Riemen in feite meer een toestand dan een overtuiging. Het fascisme is eigenlijk niks, behalve een uiting van ons nihilisme in handen van leiders die er gewetenloos gebruik van maken. „Mussolini en Hitler”, schrijft Riemen, waren „vertegenwoordigers van de politisering van een geestesgesteldheid die lang voor hun verschijnen op het toneel in Europa tot ontwikkeling begon te komen.”

Het fascisme is met andere woorden een verschijnsel dat – juist omdat het leeg is – altijd „de vorm en kleur van zijn tijd en cultuur [zal] aannemen”. Tegenwoordig is dat de kleur van materialisme, consumentisme en egoïsme: „Mijn individuele ik, mijn ego, wordt de maat van alles en dus is het enige wat telt: wat ik voel, ik denk. Ik eis dat mijn smaak, mijn mening, en zoals ik nu eenmaal ben, gerespecteerd zal worden, wil ik niet beledigd zijn.”

Kortom: de massasamenleving zelf is fascistisch. Vandaar dat Riemen Wilders „de logische politieke consequentie” noemt van „een maatschappij waar wij alleen verantwoordelijk voor zijn”. Het gaat niet om botsende politieke ideologieën, of om klassenstrijd (zoals marxisten zouden zeggen), nee, de moderne wereld is een en al – in de woorden van de Duitse denker Martin Heidegger – „razernij van de massamens”.

Daarmee depolitiseert Riemen de PVV eerder dan dat hij er in politieke zin de strijd mee aangaat. Dat laatste kan ook eigenlijk niet, want als de PVV de „logische” consequentie is van de moderne samenleving, is er niets aan te doen – tenzij er een heel andere samenleving ontstaat.

Dat moet dan ook gebeuren, vindt Riemen. Maar het kan alleen door een herstel van het geloof in absolute waarden. Aan de huidige elites hebben we daarbij niets, want die zijn bevangen door relativisme en nihilisme. Riemen spreekt van „de gecorrumpeerde elites, die de geestelijke leegte cultiveren waarin het fascisme weer groot kan worden”.

Met die cultuurkritiek staat Riemen in een lange reactionaire traditie, die vanaf de Franse revolutie louter verval en ondergang ziet. Zulk gedachtegoed, met de roep om een geestelijk reveil, was in de jaren twintig en dertig te vinden onder rechtse intellectuelen die een bres wilden opwerpen tegen socialisme, communisme en fascisme. Klassiek werd Julien Benda’s aanklacht La trahison des clercs (1927), waarin hij schreef dat alleen eeuwige, absolute waarden christelijk Europa nog konden redden.

Dus links? Lees hoe Riemen zijn afkeer uit van het moderne gelijkheidsidee: „Gelijkheid kan alleen nog maar in het materiële tot uitdrukking komen. Er ontstaat een nieuw gelijkheidsideaal, dat samenhangt met het opkomende socialisme en de drang naar democratisering: sociale rechtvaardigheid, gelijke kansen, universeel stemrecht.” En wanneer de massa eenmaal gaat regeren „zal de democratie ophouden te bestaan”.

Riemen past met die opvattingen beter bij conservatieven, zoals de filosoof Andreas Kinneging en de columnist Bart Jan Spruyt. Net als hij denkers die wars zijn van postmodern relativisme en plat gelijkheidsdenken, maar die ondertussen vermoedelijk terugschrikken voor het recht voor zijn raap (‘Doe eens normaal, man’) populisme van Wilders en de PVV.

Gek genoeg zijn er zelfs raakvlakken met die vermaledijde PVV: die hamert tenslotte ook op het verraad van de elite en op de perverse invloed van cultuurrelativisme. Ook volgens de PVV moeten we hoognodig weer ergens in gaan geloven, zij het niet in Riemens „absolute waarden”, maar in de onvervreemdbare waarden van onze eigen cultuur.

In dezelfde trant als Riemen schrijft Martin Bosma bijvoorbeeld in zijn boek De schijn-élite der valsemunters. „De linksen hebben het idee van volksverheffing opgegeven. Immers, als alle culturen gelijk zijn, waarom zou het dan nog nodig zijn arbeiderskindertjes met Beethoven in contact te brengen?” Ook de PVV heeft trouwens iets met „massa”, zij het eerder met „massa-immigratie”, een woord dat in Bosma’s boek op één pagina zeven keer valt, ook al zal hij als journalist geleerd hebben dat je best af en toe synoniemen mag gebruiken.

Natuurlijk zijn er ook cruciale verschillen. Het zou een ernstige vergissing zijn Bosma (drums) en Riemen (zang) samen in een bandje te laten spelen op Lowlands. Riemen is een elitist, die niets moet hebben van populisme. Dat is de stem van de massa waar hij nu juist zo’n hekel aan heeft. Het gevaarlijkste wapen van het fascisme, schrijft hij, „is niet het geweld maar de domheid”. De PVV wil het volk aan de macht, maar hij snakt naar het herstel van een geestelijke aristocratie. Ook hun oplossingen zijn totaal anders. De remedie voor ons onheil is volgens Riemen het terugvinden van „liefde voor het leven” in „waarheid, goedheid, schoonheid, vriendschap, rechtvaardigheid, compassie en wijsheid”. Toe maar.

Bij de PVV heet het simpelweg: „Als we willen, kunnen we alles.”

Nexus krijgt wel subsidie, maar een slurper is Riemen dus zeker niet. Dat is veel te onbeschaafd. Hij is een late echo van het cultuurpessimisme uit de jaren twintig en dertig.