Vuile hond! Klootzak! Flikker!

Notulen van vergaderingen, in het parlement ‘Handelingen’ geheten, kunnen bij vluchtige beschouwing misverstanden oproepen. Op 10 september 2009 zei het toenmalige Tweede Kamerlid Rita Verdonk: „Vuile hond! Klootzak! Flikker! Ik zie dat u hiervan schrikt, voorzitter.” Antwoord van de voorzitter: „Vooral als u het tegen mij zegt.” Waarna bleek dat Verdonk slechts weergaf wat een politieagent zoal dagelijks naar zijn hoofd krijgt geslingerd.

Onparlementair taalgebruik – het komt voor in het parlement en het is niet per definitie buiten de orde.

De reactie van de voorzitter, het Tweede Kamerlid Gerdi Verbeet (PvdA), was niet alleen humoristisch maar ook functioneel, omdat het gebruik in de Tweede Kamer nu eenmaal is dat leden tegen of via de voorzitter spreken en niet rechtstreeks tot elkaar.

De rol van de voorzitter in de Tweede Kamer is ter discussie gekomen doordat PVV-leider Geert Wilders en premier Mark Rutte (VVD) elkaar vorige week dringend adviseerden „eens normaal” te doen. Soms lijkt het er in die discussie op alsof Verbeet toen niet ingreep, maar dat deed zij juist wel. Zoals ook waarnemend Kamervoorzitter Arda Gerkens (SP) op 11 december 2008 intervenieerde toen het lid Dion Graus (PVV) het had over „een of andere klootzak”. Jan Marijnissen maakte minister Bert Koenders in 2009 uit voor „flapdrol”. Alleen zei hij dat niet in een microfoon en dus moest Koenders van de voorzitter doen alsof hij het niet had gehoord. Maar door „flapdrol” zelf hardop te herhalen, zorgde de bewindsman ervoor dat de term in de Handelingen is te vinden.

Volgens oud-Kamervoorzitter Frans Weisglas (VVD) zou zijn opvolger vaker moeten ingrijpen en van haar bevoegdheid gebruik moeten maken om een Kamerlid of minister die beledigende uitdrukkingen bezigt, het woord te ontnemen. De voorzitter kan zo’n spreker zelfs voor de rest van de dag ‘schorsen’. Volgens Verbeet gaat het hier om artikelen in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, die uit dode letters bestaan. Daarin vergist zij zich natuurlijk. De artikelen 58, 59 en 60 bestaan niet voor niets; ze wachten hooguit op reanimatie.

Maar de voorzitter moet met de grootst mogelijke terughoudendheid omgaan met deze competenties. Partijdigheid is het ernstigste verwijt dat hem of haar kan treffen. De vraag wanneer woorden beledigend zijn, laat zich moeilijk reglementeren. Opvattingen over smaak en fatsoen lopen door de jaren heen flink uiteen, ook in de volksvertegenwoordiging. Het zijn primair de Kamerleden zelf die bepalen hoe ver ze (te ver) gaan. En laat de kiezer dan maar beseffen dat grof of beledigend taalgebruik het meeste zegt over degene die zich eraan schuldig maakt. Advies aan alle Kamerleden: doe maar normaal en hou uw fatsoen.