Voorweg 41

Acht jaar na zijn dood vind ik het opeens nodig Heemstede, de geboorteplaats van mijn vader, te bezoeken. Overleden ouders duiken op de vreemdste momenten in je hoofd op. Ik merkte dat ik niet meer goed wist hoe het straatje en de buurt waar hij was opgegroeid, eruitzagen. Jaren geleden was ik er wel eens geweest, maar altijd gehaast, snel voorbijrijdend in een auto.

Heemstede ligt tegen Haarlem aan, maar het is een aparte gemeente met ruim 26.000 inwoners. Lopend vanaf het station ga ik eerst langs de villa van de vader van Godfried Bomans, ‘Berkenrode’ aan de Herenweg. Daar schreef Godfried een deel van zijn sprookjes en Pieter Bas. Het is een royaal, ogenschijnlijk goed onderhouden herenhuis met een plantsoen ervoor en een geopende poort. Godfried moet er rustig hebben gewerkt, maar nu raast het verkeer over de Zandvoortselaan.

Verderop in het dorp zal ik op het terras van restaurant Bij Bomans belanden, een keurige, maar moderne zaak, waar behalve zijn naam geen enkel spoor van Bomans – een jaar ouder dan mijn vader – te vinden is.

Mijn vader woonde aan de Voorweg, in het zuidelijke deel, een heel stuk lopen nog. Ik wil graag zien wat hij, geboren in 1914, nog met zijn ogen moet hebben gezien. Oude gevels, oude kerken, oude straten. Je moet er even naar zoeken, maar ze zijn er nog wel, die sporen van vroeger. Heemstede heeft nog altijd een dorpsachtig, gemoedelijk karakter.

Van de kerken valt vooral de Sint-Bavo me op. Hier moet mijn vader, wiens familie net als die van Bomans katholiek was, vaak geweest zijn. De kerk stamt uit de negentiende eeuw en werd in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers ernstig vernield. Ik kan er helaas niet binnen, wel in de Mariakapel aan de zijkant. Er ligt een gastenboek op een tafel. Bezoekers van de naastgelegen begraafplaats kunnen er hun hartekreten in kwijt.

„Ik mis je erg, mijn lieve vader”, schreef een meisje, „ik was klein en het gebeurde al en jij was maar 45, ik mis je.”

Op een andere pagina schreef een jongen: „Lieve mama, alstublieft, haal de pijn bij mij weg. Kom me halen wanneer mijn tijd daar is. Tranen geneer ik mij niet voor. Mam, help me, ik ben bang.”

Eindelijk bereik ik de Voorweg, een straatje waar ik als jongetje op verjaardagsvisites bij mijn grootouders kwam en een enkele keer logeerde. Voorweg 41: het geboortehuis van mijn vader, een laag, klein, maar nog altijd goed onderhouden huis in een rijtje. Achter het raam een klein meisje bij de tafel. Ik herinner me een benauwd, grauw straatje, maar het ligt er nu in het zachte, zonnige najaarslicht vriendelijk en goed geconserveerd bij. Nederland is welvarend geworden – en gebleven.

Ik loop door en passeer de Voorwegschool, de lagere school van mijn vader, een van de oudste basisscholen van Nederland: een parmantig, lief gebouw. Opeens sta ik bij de Oude Kerk, een hervormde kerk waar Nicolaas Beets van 1840 tot 1854 predikant was. Was mijn vader daarom zo’n gretige lezer van de Camera Obscura geweest?

Zou hij hier zelf vaak zijn teruggekomen, vraag ik me nog af. Nee, hij was geen man voor nostalgie, hij had ook weinig tijd gehad om terug te kijken: gezin, oorlog, carrière.

Op de terugweg gebeurt het bijna onvermijdelijke. Bij restaurant Delizio in het centrum zie ik een oude heer-met-stok binnengaan. De lengte en het postuur van mijn vader, het dunne haar, het vermagerde gezicht van zijn laatste jaren.

De man lacht naar iemand. Die lach! Het is ’m.