Voor de stad is het huis al snel te klein

‘De push voor de huizenmarkt die gewenst is”, zo noemde minister Donner in juli de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting op de woningmarkt. Het tarief ging omlaag van 6 procent naar 2 procent van de koopsom.

De prijsdaling van 2,8 procent op jaarbasis in augustus, die het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) rapporteert, suggereert dat het weinig tot niets geholpen heeft. Dat concludeerde de Vereniging Nederlandse Gemeenten gisteren. Maar is dat ook zo?

Het is moeilijk voor te stellen dat een belastingverlaging op woningtransacties géén effect zou hebben. Het CBS stelde zelf dat de meting over de maand augustus nog helemaal geen informatie kán geven. Het bureau gebruikt gegevens van het kadaster, dat de definitieve koopcontracten registreert. Nu zitten er gemiddeld twee tot drie maanden tussen het voorlopige koopcontract (waarin het effect van de belastingverlaging voor het eerst te zien moet zijn) en het definitieve koopcontract (zeg maar de overdracht zelf). De eerste effecten van de verlaging zijn dus pas in september en oktober merkbaar.

En dat is misschien nog te vroeg: zouden huizenkopers daags na de aankondiging massaal transacties zijn gaan sluiten, of duurt het een maandje of wat? En er is nóg een effect. Mensen die in deze onzekere markt een volgend huis kopen, zullen zich vooral zorgen maken over de verkoopbaarheid van het huidige eigen huis. Het zou logisch zijn als zij een langere tijd bedingen tussen de voorlopige koopovereenkomst en de daadwerkelijk levering, om zichzelf zo meer tijd te gunnen bij de verkoop van hun huidige woning. De traagheid in de CBS-cijfers kan daar misschien extra door toenemen.

Het zou dus zo maar november kunnen worden voordat het prijseffect van de belastingmaatregel structureel in de prijsindex van huizen opduikt. Weet de VNG dit niet? Die vindt de belastingverlaging „weliswaar sympathiek, maar een te bescheiden maatregel om het verschil te maken”.

De VNG wil meer actie. Gemeenten zitten al in de verdrukking. Veel van de stoere bezuinigingen van het kabinet-Rutte (en trouwens ook van het vorige kabinet) zijn comfortabel van het Haagse niveau naar de gemeenten gedirigeerd, die het vervolgens zelf maar moeten uitzoeken.

De onroerendezaakbelasting maakt al snel een twaalfde deel van de gemeentelijke inkomsten uit. Die inkomsten staan onder druk. De opbrengst van de heffing is, absurd genoeg, niet op de waarde-ontwikkeling van woningen gebaseerd. De zogenoemde ‘macro-norm’ voor 2011 gaat uit van een stijging van inkomsten uit de onroerendezaakbelasting van 3,5 procent, op basis van de groei van de economie en de inflatie. Voor 2012 is dat 3,75 procent.

Hier broeit een enorm conflict tussen gemeenten en hun burgers, die steeds meer onroerendezaakbelasting moeten opbrengen terwijl de waarde van hun bezit juist wegzakt. Nu de prijzen dalen, wankelt het bouwwerk van gemeentelijke inkomsten dat op het fundament van de woningmarkt staat – denk ook aan de inkomsten uit grondverkopen.

De VNG, op zoek naar meer compassie van het Rijk, heeft er zo alle belang bij het positieve prijseffect van de verlaging van de overdrachtsbelasting bij voorbaat te kleineren. Dat is te begrijpen, maar helemaal eerlijk is het niet. Als de échte cijfers over een paar maanden binnen zijn, kan en mag zij pas conclusies trekken.

Maarten Schinkel