Theater van kaarten en globes

In het museum zie je hoe de wereld ontdekt werd met de eenvoudigste middelen.

De Nederlandse maritieme geschiedenis was ondenkbaar zonder kompas en kaarten.

Het verhaal van de walvis in het Scheepvaartmuseum. Foto Maurice Boyer Amsterdam 26-9-2011 Het verhaal van de walvis in het Scheepvaartmuseum Foto NRC H'Blad Maurice Boyer
Het verhaal van de walvis in het Scheepvaartmuseum. Foto Maurice Boyer Amsterdam 26-9-2011 Het verhaal van de walvis in het Scheepvaartmuseum Foto NRC H'Blad Maurice Boyer

Het zonlicht werpt een lijnenspel op de binnenplaats en de over de binnenmuren van het vernieuwde Scheepvaartmuseum in Amsterdam. De ruimte heeft de allure van een hof in een kasteel.

In het midden bevindt zich een cirkel waarvandaan de lijnen uiteen waaieren. Die cirkel verbeeldt de kompasroos en de lijnen symboliseren de kompaslijnen die op historische zeekaarten staan afgebeeld. Met enige verbeelding kan de toeschouwer zich inbeelden zelf als een soort wijzer in het hart van een kompas te staan en al speurend langs de hemel de richting te zoeken.

Kompas, windstreken, oriëntatie, kompaslijnen: de Nederlandse scheepvaart en de Nederlandse maritieme geschiedenis waren ondenkbaar zonder deze uitvindingen. Zonder het kompas geen ontdekking van de wereld. De inspiratiebronnen van deze reusachtige kompaskoepel boven de binnenhof bevinden zich in de oostvleugel, in een ruimte waar het licht is getemperd. In de zeventiende eeuw, de tijd waarin het Scheepvaartmuseum als ’s Lands Zeemagazijn in 1656 werd gebouwd, groeide de Nederlandse maritieme macht tot ongekende grootte. Het gebouw lag aan het open water van het IJ. Duizenden, tienduizenden schepen telde de vloot. Nederland was in hevige strijd gewikkeld met mogendheden als Engeland, Spanje en Portugal om de heerschappij over de wereldzeeën en de ontdekking van nieuwe gebieden van koloniën vol met schatten als kruiden en goud.

En dan begint die ontdekking van de grote wereld met allereenvoudigste middelen als een stuk lood aan een eind touw. Om diepte te meten. Met twee stukken ijzer die een passer vormen. Om de afstand af te zetten op een kaart. Met een graadstok: een stok met daarop een schaalverdeling om de zon te schieten. De inventiviteit van de vroegste zeevaarders dwingt bewondering af. Diederick Wildeman, Conservator Zeevaartkunde van het museum, is kenner van navigatie, zeekaarten en globes. In zijn studie Globes in Nederland. De wereld in het klein geeft hij een treffende beschrijving van de rijkdom aan historische globes uit het museum. In de oostflank van het museum heeft hij een theaterzaal ontworpen, toepasselijk Theatrum Orbis Terrarum geheten, het theater van de landen van de wereld. Zo heette de eerste wereldatlas die op 20 juni 1570 verscheen, samengesteld door Abraham Ortelius.

In dit theater van kaarten en globes maken we een wereldreis. Wie zich inscheept wil allereerst weten waar hij zich bevindt, ofwel: op welke breedte. De zeeman van destijds beschikte over een astrolabium, een graadboog om de hoogte van een hemellichaam vast te stellen. Heeft de schipper die hoogte berekend, dan kan hij zijn positie vaststellen. „Dat meten gebeurde vaak om 12 uur ’s middags, als de zon op zijn hoogste punt staat”, zegt Wildeman. „Kijk, zo’n instrument heeft de vorm van een kruisboog. De schipper keek door een beroet glaasje naar de zon. Op de stok staan graden aangegeven en er zit een schuif op. De bovenkant daarvan „raakt” als het ware de zon, de onderkant de horizon. Door de schuif zo te bewegen dat die zon én horizon raakt, kan de schipper de juiste breedtegraad aflezen.”

Heeft de zeevaarder de breedte vastgesteld, dan wil hij ook weten hoe snel hij vaart. Daartoe gooit hij het drijvende voorwerp bij de voorsteven in het water. Bereikt het object na zoveel knopen de achtersteven, dan wordt het aantal knopen verrekend met de lengte van het schip. De snelheid is gemeten in het aantal knopen, een begrip dat nog altijd gebruikt wordt. En de diepte? In de vitrines liggen eeuwenoude dieptemeters, gevonden in wrakken. Zogenaamde wrakvondsten. Een stuk lood aan een touw, dat is voldoende.

Zeevaartkunde is meetkunde. In de pronkzaal van het Scheepvaartmuseum staan globes. Al is een van de oudste een hemelglobe van Mercator uit 1551, de globes glanzen van nieuwheid. Ze zijn schoongemaakt. De globes zijn zó kwetsbaar en kostbaar dat ze achter glas staan. In dit theater van de wereld staat een grote bal van ongeveer een meter doorsnede. Net als een wereldglobe rust die op een voet. Draai die globe rond en op een projectiescherm verschijnen de oceanen en werelddelen zoals globemakers die van de zestiende tot ver in de negentiende eeuw hebben afgebeeld.

De toeschouwer suist door de tijd en de ruimte. Het is net Google Earth, maar dan van een paar eeuwen terug. Er is aanvankelijk veel Terra Incognita, onbekend gebied. Jaar na jaar komen er nieuwe gebieden en namen bij, kwam Nieuw Holland waar nu Australië ligt, krijgt Amerika vaste contouren, komt de Indonesische archipel in zicht. Allemaal ontdekt dankzij navigatie en het kompas.