Staat frustreert 'democratisering' Unilever

Unilever wil de stemrechten van aandeelhouders eerlijker verdelen. Maar beleggers, sommige in staatshanden, verzetten zich.

Gelukkig maar, het is nooit overal tegelijk misère. Tussen al het geweld van dalende aandelenkoersen, dalende obligatiekoersen en dalende goud- en zilverprijzen blijken er altijd weer bloempjes langs de rand van de beursvloer te bloeien.

Neem de preferente aandelen van voedings- en wasmiddelenconcern Unilever. Wie ze in de kredietcrisis van september 2008 kocht, kan ze in de huidige crisis voor bijna het drievoudige kwijt. In de tussentijd genoot de bezitter jaarlijks ook nog 6 of 7 procent rente.

Er is ook een verklaring voor dit uitzonderlijke rendement. Het zijn openbaar verhandelbare effecten waar recentelijk een bod op is uitgebracht. Unilever wil zijn preferente aandelen – ze heten ‘preferent’ omdat zij bij de verdeling van de winst voorrang hebben op gewone aandelen – vóór 19 oktober van de beurs halen. Het concern claimt zo ‘democratischer’ te worden. Bezitters van de stukken hebben namelijk een bovengemiddeld stemrecht. De effecten vertegenwoordigen minder dan een half procent van de beurswaarde, maar hebben bijna 30 procent van de stemmen op de aandeelhoudersvergadering. Kortom, onder het motto one share, one vote wil Unilever zijn stukken terugkopen Daardoor krijgen gewone aandeelhouders meer invloed en verbetert de verhandelbaarheid van het aandeel. Wanneer iedereen zijn stukken aanbiedt, is Unilever 157 miljoen euro kwijt. Maar voor een concern met een paar miljard in kas zal dat geen probleem zijn.

Wel een probleem is het gebrek aan enthousiasme onder de houders van deze preferente stukken. Vorig jaar probeerde Unilever al via een een-tweetje met de grootaandeelhouders ING, Aegon en ASR de zeggenschap recht te trekken. Maar de verzekeraars vonden de geboden prijs te laag. Het concern verhoogde vorige week zijn bod met ruwweg de helft. Aegon ging door de bocht. Voor 28,5 miljoen euro doet de verzekeraar afstand van zijn stukken.

Maar ING en ASR zijn niet akkoord. Daar hebben ze ook goede redenen voor. De beleggers zijn nu op een vrij goedkope manier vrijgesteld van winstbelasting. Omdat de verzekeraars meer dan 5 procent in het nominaal gestorte kapitaal van Unilever bezitten, vallen zij onder de deelnemingsvrijstelling. Dat geef je niet zomaar weg omdat het bedrijf in kwestie ‘democratischer’ wil worden. Bovendien zijn de partijen niet bereid om hun extra zeggenschap in Unilever te gemakkelijk prijs te geven. Om die verworvenheid op te geven, willen ING en ASR ook extra betaald worden. De huidige prijs biedt in hun ogen onvoldoende premie om afstand te doen van die machtsbasis.

En dan is er nog een reden die vooral geldt in het nerveuze klimaat van vandaag. Unilever is een stevig, betrouwbaar, en wereldwijd opererend concern dat jaarlijks 6 tot 7 procent rente op zijn preferente aandelen uitkeert. Waar vindt een belegger dat tegenwoordig nog?

Unilever gaf de effecten uit tussen 1927 en 1964. Bij het huidige bod zullen de aandelen waarschijnlijk nog wel even op het Damrak blijven. ING en ASR zijn goed voor 17 procent in Unilever. Pas vanaf 95 procent kan een bieder via de rechter de laatste minderheidsaandeelhouders tot verkoop dwingen. Voor Unilever is dat een geheel nieuwe ervaring. Na de jarenlange kritiek van beleggers, maar ook politici, op het gebrek aan zeggenschap van aandeelhouders, komt het verzet tegen normalisering van de verhoudingen nu uit overheidshoek. ING leunt nog steeds op kapitaalsteun van het Rijk en verzekeraar ASR is voor 100 procent in handen van de staat.