Reparatiewetje tekent zwakte

De Eerste Kamer wil tijd om na te denken en dus moet een noodwetje van minister Donner (Binnenlandse Zaken, CDA) nog even wachten. Gelukkig werken de plechtankers in de parlementaire democratie nog. De Kamer van reflectie en bezinning trok vandaag bij monde van senator Gerrit Holdijk (SGP) even aan de handrem. Die liet daarmee ook zien dat die ene SGP-zetel waarmee het kabinet een meerderheid in de Senaat kan krijgen, gewicht heeft.

Vandaag gaat de Tweede Kamer waarschijnlijk akkoord met een reparatiewet waarmee het kabinet alsnog de legesheffing voor de ID-kaart een deugdelijke juridische basis geeft. Die bleek namelijk te ontbreken. De Hoge Raad oordeelde op 9 september dat de ID-kaart is ingevoerd om een algemeen belang te dienen: de burger in staat te stellen aan de identificatieplicht te voldoen. Een paspoort of een rijbewijs zijn ook geschikt als identiteitsbewijzen, maar die gebruikt de burger vooral voor iets anders. Namelijk autorijden of reizen. Bij de ID-kaart is het gebruik als (beperkt) reisdocument secundair.

Voor het dienen van zo’n algemeen belang mag de burger niet apart tot betalen worden gedwongen. Wel voor het afnemen van een dienst ten eigen bate. Aangezien een ID-kaart is uitgevonden om de ‘draag- en toonplicht’ van een identiteitsbewijs voor de burger mogelijk te maken, vond de Hoge Raad het geen echte ‘dienst’. Iedere burger die sinds de invoering in 2005 van de identiteitskaart daar maximaal 43 euro voor betaalde, deed dat achteraf dus onverschuldigd. Althans op juridisch dubieuze gronden. Dat geeft de burger die al heeft betaald een bittere nasmaak.

Praktisch gevolg was dat de ID-kaart vanaf 9 september wettelijk gratis werd. De rijen aan het loket groeiden daarop explosief en het vooruitzicht op een stevige financiële tegenvaller eveneens. ID-kaarten groeien immers niet in het gemeenteplantsoen, maar moeten worden gemaakt, geregistreerd en bijgehouden. Dat geld moet ergens vandaan komen. Er worden jaarlijks naar schatting 1,8 miljoen kaarten aangevraagd. Dat zou neerkomen op een tegenvaller van 73 miljoen euro. Dat minister Donner een spoedwet liet componeren, is te begrijpen. De rechter corrigeert, de wetgever repareert. Zo werkt de democratie.

Maar het is heel goed dat de Senaat nog eens naar dit rommeltje kijkt. Er zijn meer ‘diensten’ waar de gemeente geld voor rekent. Terwijl burgers menen gratis aanspraak te hebben op een handeling die een algemeen belang dient. Verzoeken om inzage in overheidsdocumenten bijvoorbeeld. Sommige gemeenten rekenen schriktarieven. Anderen houden de drempel juist laag. Ook hier moet de Hoge Raad nog uitkomst bieden. Uiteraard had de wetgever hier meteen duidelijkheid moeten bieden. Openbaarheid lijkt ons geen dienst maar een algemeen belang.