Hun neus lijkt op een stopcontact

Na zeshonderd jaar komt er een einde aan het traditionele Qinaxi carnaval in China: het honden-eetfestival. Het feest herdenkt een militaire overwinning in de Ming-dynastie, waar een stad werd aangevallen en het leger stilletjes alle honden doodde, zodat die niet zouden gaan blaffen en de aanwezigheid van de indringers zouden verraden. Toen de stad was

Na zeshonderd jaar komt er een einde aan het traditionele Qinaxi carnaval in China: het honden-eetfestival. Het feest herdenkt een militaire overwinning in de Ming-dynastie, waar een stad werd aangevallen en het leger stilletjes alle honden doodde, zodat die niet zouden gaan blaffen en de aanwezigheid van de indringers zouden verraden. Toen de stad was overwonnen, vierde men feest met enorme bakken hondensaté – een traditie was geboren.

Tegenstanders van het festival noemden het echter geen festiviteit, maar een gruwelijke massamoord, waarbij talloze honden op straat worden gedood en gevild om te demonstreren hoe vers het vlees is. Bovendien hebben steeds meer Chinezen een pluizige chow chow op de arm, nu het verbod op een hond als huisdier tijdens de culturele revolutie opgeheven is – waardoor het steeds ingewikkelder wordt om je stokjes in een soortgenoot zetten. Dit jaar werd het protest zo groot dat het feest officieel verboden is.

Dit voorbeeld illustreert maar eens te meer: als je als dier niet op een prikker wil eindigen, moet je vooral moeite doen om leuk gevonden te worden. Wat geen makkelijke opdracht is: wij mensen zijn onvoorspelbaar in onze lievelingen. Zo hemelen wij nog steeds de dolfijn op, terwijl iedereen weet dat deze dieren eigenlijk een soort seksmaniakken zijn die alleen bootjes terugbrengen naar de kust omdat ze er zo graag tegenaan willen rijden. En houden we van honden, terwijl die verharen en raar tandvlees hebben en krankzinnig worden als er een rubberen kip voor hun neus bungelt.

Natuurlijk is het fijn voor de dolfijn en de hond dat zij door middel van respectievelijk hoepelkunstjes en vacht de liefde van de mens hebben veroverd. Toch wil ik hier graag even de aandacht vestigen op het dier dat al jaren op onbegrijpelijke wijze onze affectie misloopt: het varken.

Het varken is fenomenaal. Ze zijn verbazingwekkend intelligent, kunnen kranten apporteren, hekken openmaken en computerspelletjes spelen – prestaties waar je daadwerkelijk nog wat aan hebt. Varkens in het wild zoeken de hele dag naar eten, dus voordat iemand ze nog een keer lui noemt, wil ik diegene zelf wel even wat truffels zien opgraven. Daarbij kunnen ze dromen en maken de zeugen tijdens het voeden sussende geluiden voor hun biggetjes. En voor wie het weer vergeten was: hun neus lijkt op een stopcontact.

Wat wil een mens nog meer?

Eigenlijk zou het voor het varken het beste zijn als zijn kwaliteiten wat meer vercommercialiseerd zouden worden. Dat we het varken gaan zien als het ideale huisdier, bijvoorbeeld rondstappend in vier gele regenlaarsjes. Waardoor we eindelijk zien hoe braaf ze onze schoenen kunnen halen, hoe vergenoegd ze kunnen knorren en hoe gaaf het is dat hun neus matcht bij onze stopcontacten. Zelf wil ik al jaren een minivarkentje als huisdier, dus ik zou het enorm toejuichen. Ik ben alleen bang dat – helaas voor het varken – de wereld er nog niet helemaal klaar voor is.