DOORRIJDEN

Rascha Peper begeeft zich geregeld tussen de stads- en funfietsers in het overvolle Amsterdam. Ongehavend... vooralsnog.

Illustratie Annemarie van Haeringen
Illustratie Annemarie van Haeringen

Met een zwiepende jonge appelboom – cadeautje voor een jarige vriendin die net een dakterras heeft ingericht – op het voorrekje van mijn aftandse fiets rijd ik op een zonnige, winderige namiddag door Amsterdam. Om het appelboompje te ondersteunen moet ik het met mijn rechterhand een beetje tegen het stuur aandrukken, waarbij het steeds de versnellingshendel raakt, zodat ik om de haverklap bijna over de kop sla of met geblokkeerde pedalen een schoenzool over het asfalt moet laten slepen. Links en rechts jakkeren stadsgenoten met wapperend haar langs me heen, scooters slalommen er met elegante doodsverachting tussendoor. Ah, nu heb ik een betere manier gevonden om die boom vast te houden en het ouwe barrel rijdt weer soepel.

We zwaaien met zijn allen langs dubbelgeparkeerde auto’s, zigzaggend om niet in de tramrails te komen, knallen níet tegen een man aan die met een krat vis op ijs achter zijn bestelwagen oprijst, ontwijken behendig een van de stoep schietende hond aan een te lange lijn en handelen onderwijl zaken af in mobielen. Plastic tassen, lege flesjes en blikjes worden door de herfstwind onder onze wielen of tussen de spaken geblazen. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe toeristen op terrasjes zich aan ons zitten te vergapen alsof ze naar een levende tekening van Theo van den Boogaard kijken. Sommige toeristen hebben zich ook zélf op huurfietsen in de ratrace gestort en rijden levensgevaarlijk langzaam in kuddes van naar elkaar omkijkende, hilarisch lachende waaghalzen, ingehaald door nors bellende autochtonen die steeds geïrriteerder raken door dit onnozele slag funfietsers.

Een rood stoplicht. Nou en? Dat betekent: even opletten voor je doorrijdt. De stadsfietser heeft vele ogen, ook in zijn rug, overziet de situatie in een tiende seconde, en rijdt dóór. Stoppen geldt alleen voor auto’s. Ja, er zíjn nog wel fietsers die voor een stoplicht blijven wachten; behalve bovengenoemde toeristen en ouders met kleine kinderen naast zich zijn dat onthechte filosofen met onthaastingsidealen, maar zij worden rücksichtslos gepasseerd door normale Amsterdammers die zonder vaart te minderen, elkaar snijdend, de kruising over meanderen, als het moet dwars door oprukkend autoverkeer heen.

Op kwaaie dagen, als ik me oud, moe en der dagen zat voel, is mijn hoofd vol doemscenario’s. Dan zie ik me – vrij naar Bordewijk – al ‘met mijn polsen door ruiten, met mijn kin door hekpunten, met mijn benen door waterroosters, met mijn slapen op trottoirbanden’ vallen, in een ambulance naar het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis vervoerd worden en anderhalf jaar moeten revalideren. Hoe lang kan dit nog goed gaan? Zal ik niet eens rustig gaan lopen of veilig de tram nemen? Maar op goede dagen (niet toevallig vaak bij stralend weer) word ik door de dolle fietsersstroom aangelokt als een kind door een zweefmolen. Het schijnt dat we tegenwoordig als verwende, goed doorvoede, niet aan rampen of oorlogen blootstaande West-Europeanen allemaal aan thrill seeking lijden. We willen aan een elastiek in een ravijn, in een ijzeren kooi voor de haaien of op de mountainbike door Tsjaad. Voor wie dit een tandje te ver gaat, komt gewoon op de fiets door een overvol Amsterdam ook een beetje in de richting.

Daar gaan we weer. Suizend van een brug af, zij aan zij met een plotseling opgedoken skateboarder, tersluikse blikken in aantrekkelijke etalages werpend, galant achter overstekende voetgangers om, tenzij ze natuurlijk zo treuzelen dat je er nog voorlangs kunt. Wéér door rood, want je weet toch precies wanneer het van de andere kant komende verkeer zal gaan rijden. Het is een sport, een verslaving, een pure euforie, met die zon en die wind. Tijdens dit snelle, geroutineerde glijden door een stad die je op je duimpje kent, als een vis door zijn vertrouwde rivier, terwijl de adrenaline door je bloed jaagt, besef je dat je leeft, dat je nog lang niet dood bent. Misschien heet dit wel geluk.

En daar ben ik alweer thuis met mijn appelboom. Geheel ongehavend. Niks geen gebroken sleutelbeen of kapotgeschaafde knieën! Nog geen knoop van mijn jas. Een gepokt en gemazelde Amsterdamse fietser laat zich niet vloeren.

Knock on wood, hoor je er snel achteraan te zeggen, en dat doe ik dan maar.