‘Geen Amerikaan kon dit boek schrijven’

Een figuur als Leo Castelli zou in het huidige Amerika niet meer kunnen bestaan, gelooft de Algerijns-Franse schrijfster Annie Cohen-Solal. Ze schreef een biografie over de galeriehouder die moderne kunstenaars als Andy Warhol status gaf. ‘Alles draait nu om geld en handel.’

Op een dwars boek staat soms straf in de vorm van negatieve kritiek. Maar Annie Cohen-Solal (Algerije, 1948) toont zich strijdlustig, in een van de ruime salons die haar Parijse uitgever Gallimard ter beschikking stelt voor interviews met auteurs. „De Amerikaanse kritiek op mijn laatste boek past helemaal bij het Wereldrijk Verenigde Staten dat zijn einde nadert. De mensen zijn bang en dat merk je op elk gebied.”

Ze heeft net vorige week, na – niet voor het eerst – enkele jaren in de VS te hebben gewoond, New York verruild voor Parijs. „Met enorm genoegen. Het was daar al lang niet meer de Amerikaanse samenleving waarvan ik ooit heb leren houden. De sfeer is erg veranderd. Nadat de VS zich jaren als een arrogante wereldmacht hebben gedragen, heeft de crisis de mensen plots bot gemaakt in hun omgang met elkaar. Ook in de kunstwereld: alles draait nu om geld en handel. Een Castelli is niet meer denkbaar.”

Cohen-Solal heeft in 2010 een lijvige, nu in het Nederlands vertaalde biografie geschreven van Leo Castelli (1907-1999), de legendarische kunsthandelaar en galeriehouder in New York die vanaf eind jaren vijftig aan de wieg heeft gestaan van een ongelofelijk aantal Amerikaanse kunstcarrières: Jasper Johns, Robert Rauschenberg, Jackson Pollock, Willem de Kooning, Cy Twombly, Frank Stella, Roy Lichtenstein, Andy Warhol, Bruce Nauman, Ed Ruscha – de lijst leest als een encyclopedie van de naoorlogse Amerikaanse kunst.

Cohen-Solal beschrijft uitvoerig het verhaal van deze galeriehouder die, sinds de opening in 1957 van zijn Leo Castelli Gallery op E. 77th street, de contemporaine kunst van Amerikanen salonfähig heeft gemaakt, en veel waard, en de makers ervan sociale status en inkomen heeft gegeven – zo is haar stelling.

Elegante, idealistische Europeaan geraakt van rags to riches in Amerika, het land van alle mogelijkheden – tot zover lezen Amerikaanse critici haar boek graag. Maar wat sommigen in het verkeerde keelgat schiet, is de eerste helft van de biografie: hoe een telg van een Italiaanse sefardisch-joodse familie – die zijn naam Krausz op voorschrift van Mussolini in de jaren dertig italianiseerde tot Castelli – vóór 1957 heeft geleefd. Cohen-Solal gaat vér terug, eeuwen, om de ingewikkelde positie van een joodse familie in een Italiaanse stad te beschrijven, de spanning tussen het bestaan van getto’s en het maatschappelijk aanzien dat voortkwam uit economische successen.

Heel mooi beschrijft ze de niet zeer glanzende carrière van Leo’s vader als bankier in Triëst, een stad die vaak speelbal van de geschiedenis is geweest – eerst havenstad van het Oostenrijks-Hongaars imperium, later ingepikt door de Italianen, gezuiverd van zijn deels Sloveense bevolking enzovoorts.

Ze brengt een Leo Castelli boven water die eigenlijk een beetje losbol en onzekere man is, in schril contrast met de latere society-figuur in New York. Castelli was wat je in het jiddisch een Luftmensch noemt, iemand van kommervolle en onduidelijke sociaal-economische status, wiens maatschappelijk bestaan gered wordt door een gefortuneerde schoonvader. En ze brengt boven water dat de charmante spraakwaterval Castelli in de VS altijd verzwegen heeft: dat zijn ouders, aan het eind van de oorlog in de Hongaarse hoofdstad Boedapest, de jodenvervolging niet hebben overleefd.

‘Huiswerk’, noemde de recensent van Artnet deze eerste helft van het boek; hij had liever meer bijzonderheden over Castelli’s naar het schijnt tot op hoge leeftijd stormachtige liefdeleven gezien. The New York Times klaagde dat het boek ‘lang nodig heeft om van de grond te komen.’ „Mijn benadering stoort Amerikanen en juist daarom denk ik dat het de goede is,” zegt de auteur.

Het volledige artikel is hier voor abonnees beschikbaar