Via Appia als beschavingsinstrument

Aflevering 4: over het Romeinse wegennet en de basis voor de Romeinse TomTom.

Via Appia
Via Appia Roger-Viollet

Hier en daar was het groot nieuws, begin september. Een webarchivaris van de Koninklijke Bibliotheek heeft een routeplanner gemaakt op basis van de enige Romeinse wegenkaart die ons is overgeleverd. Wie op de site omnesviae.org een vertrekpunt en een bestemming in het oude Europa intikt, krijgt binnen een paar tellen de iter brevissimum (‘kortste weg’) te zien. De route wordt in rode lijnen geprojecteerd op Google Maps en gaat via bekende Romeinse wegen over rivieren, langs legerplaatsen en door nederzettingen. Van Castra Herculis (Arnhem Meinerswijk) naar Agripina (Keulen) is het CXII mijl (circa 175 kilometer), die je te voet in ongeveer acht dagen af kunt leggen. Als je goed speurt, kom je op sommige plaatsen nog resten van de oude heerbaan tegen.

De basis voor de Romeinse TomTom is de Tabula Peutingeriana (‘Peutingerkaart’), een middeleeuwse kopie van een wegenkaart uit de vierde eeuw die twaalf eeuwen later in bezit kwam van de Duitse humanist Konrad Peutinger. Tegenwoordig wordt ze bewaard in de Österreichische Nationalbibliothek in Wenen: een strook van elf aan elkaar gemaakte vellen perkament met een hoogte van 33 cm en een lengte van 6,80 meter – oprolbaar en makkelijk mee te nemen. Niet zo makkelijk leesbaar trouwens, althans voor de moderne reiziger; want het Imperium Romanum is schematisch weergegeven, vanaf het uiterste westen van Europa tot India. Zeeën zijn gecomprimeerd, provincies platgedrukt en nauwelijks herkenbaar, afstanden niet op schaal afgebeeld; maar doordat de meeste wegen – in totaal 200.000 kilometer – er wél op staan moet de kaart goed bruikbaar zijn geweest. Vergelijk het met de beroemde Londense tube map, die de werkelijkheid niet spiegelt maar vereenvoudigt.

ANP RUUD HOFF

Een Peutinger kaart, een kopie van het Romeinse origineel. ANP RUUD HOFF

Het Romeinse wegennet ligt als een bloedvatenstelsel onder de oppervlakte van Europa. De huidige verbindingswegen tussen de Muur van Hadrianus en Londen, tussen Voorburg en Syracuse, en tussen Nantes en Istanbul volgen voor een belangrijk deel de oude heerbanen, hoeveel verval er ook is opgetreden, hoeveel grond er ook overheen is gegaan. De voormalige viae publicae zijn een monument voor de tijd dat iedere Europeaan onder de limes, de Rijn-Donaugrens, kon zeggen: civis Romanus sum (‘ik ben een Romeins burger’). Maar al rond het begin van onze jaartelling waren ze volgens de Griekse geschiedschrijver Dionysios van Halikarnassos een blijk van ‘de buitengewone grootheid van het Romeinse Rijk’, samen met de aquaducten en de bouw van de riolen.

De wegen werkten als beschavingsinstrument. Ze maakten het mogelijk dat handelswaar werd uitgewisseld en multiculturalisme bevorderd; niet alleen de vork, de mortel en de wijn werden door de Romeinen verbreid, ook de woorden waarmee die producten werden aangeduid. Maar het belangrijkst waren ze voor de militaire communicatie; marsorders konden met wisselpaarden in gezwinde spoed worden overgebracht (een superkoerier haalde 800 kilometer per etmaal), en legioenen konden zich snel verplaatsen. Dat laatste was ook de reden voor de aanleg van de eerste weg (312 v. Chr.) volgens het succesrijke vijflagenprocédé (gestampte aarde / grint / puin en cement / cement en scherven / plaveisel). De Via Appia, die net als andere Romeinse snelwegen werd vernoemd naar de initiator, was het geesteskind van de censor Appius Claudius Caecus (‘de Blinde’), die inzag dat de steeds oplaaiende oorlog tegen de Samnieten ten zuiden van Rome nooit gewonnen kon worden zonder goede verbindingen.

De weg naar Capua, dwars door de Pontijnse moerassen, betekende een mijlpaal in de Romeinse geschiedenis. Al snel werd ze doorgetrokken naar de Adriatische kustplaats Brindisi, waarna tal van andere wegen werden aangelegd, aanvankelijk allemaal vanuit Rome: de Flaminia naar Rimini, de Salaria naar de zoutbekkens in de Marche, de Aurelia naar Gallië. Later werden de veroverde gebieden ermee opengelegd, op een rigoureuze manier: aan omwegen deden de bouwers niet, de lineaal was hun beste vriend.

Er zijn nog kleine stukjes van de oude Via Appia, de ‘koningin der wegen’, over. Vooral de resten in de buurt van Rome, met aan weerszijden Romeinse grafmonumenten en christelijke catacomben, vormen een toeristische attractie – ook al omdat ergens op die oude stenen de legendarische ontmoeting plaatsvond tussen de apostel Petrus (op de vlucht voor de eerste christenvervolgingen) en zijn gestorven leermeester. ‘Domine, quo vadis? Heer, waarheen gaat gij?’ vroeg hij. En Jezus antwoordde: ‘Naar Rome, om opnieuw gekruisigd te worden.’ Waarna Petrus beschaamd op zijn schreden terugkeerde, om zelf te eindigen aan het kruis in het Circus van Nero.

Zo bekeken ligt de Via Appia aan de basis van het christendom. Maar veel directer is de lijn met de snelwegen die het moderne Europa verenigen en die voor een deel aangelegd zijn over de oude Romeinse routes. De pioniers van die Autobahnen – de eerste lag tussen Milaan en Varese, de tweede tussen Frankfurt en Darmstadt – waren de Italianen en de Duitsers, of liever de fascisten en de nazi’s, die net als Appius al vroeg het militaire belang van snelle verbindingen onderkenden. Sommige mensen voelen zich daar nog steeds ongemakkelijk onder. Anderen zullen eerder denken aan de klassieke cartoon waarop Fokke & Sukke voor het Colosseum staan. Zeggen de eend en de kanarie: ‘Ondanks de gruwelen die zich hier hebben afgespeeld, moeten we niet vergeten… dat die Romeinen hele goede snelwegen hebben aangelegd.’