Wetenschap is ook maar een mening

Je hoeft geen wetenschapper te zijn om een wetenschapper te beschuldigen van fraude. Het instrumentarium van de wetenschap staat iedereen ter beschikking, stelt Arjen van Veelen.

Mensen, jullie moeten brutaler worden. Dat zei Immanuel Kant drie eeuwen terug. Mondigheid noemde hij dat. Niet zomaar alles geloven. Wetenschap! Verlichting! Zelluf denken!

Had-ie z’n mond maar gehouden. Kijk toch wat hij allemaal heeft aangericht. Burgers hebben babbels gekregen. Betweterige snotaapjes zijn we geworden. We sc hreeuwen steeds zo!

Niet iedereen schreeuwt. In de schaduw van de fraudezaak rond Diederik Stapel werd vorige week een klein symposium gehouden over het oeuvre van essayist Menno ter Braak (1902-1940).

Aanleiding was vermeend gesjoemel van essayist Rob Riemen. Riemen zou citaten van Ter Braak hebben gemanipuleerd om de PVV te pakken. Stelling: ‘Rob Riemen zuigt citaten uit duim'. Plaats van debat: GeenStijl.

„De inhoud komt, als je bladzijde 21, laatste 4 zinnen, leest, in essentie overeen toch?”, zei een reaguurder.

De denkbeelden die hij Nietzsche toeschrijft, observeerde een ander, „komen dichter in de buurt bij die van Crowley”.

„Stelletje gays! Dat hij een parafrase een quote noemt is inderdaad slordig, maar het staat wel in dat pdf’je”, poneerde weer iemand.

De conferentiegangers pakten het originele essay erbij, fileerden de drogredeneringen van Bosma en zagen het verschil tussen citeren, parafraseren en manipuleren. Ze stelden klassiek wetenschappelijke vragen als ‘waar zijn je data’, of ‘ hoe weet je dat zo zeker’ – keurig met voetnoten, bronnen en boerenverstand. Niet alleen: „ik vind” of „ik geloof”, maar ook vaak: „kijk eens naar dit pdf’je”.

Zeker, niet iedereen bleef netjes. De woorden ‘duimzuiger’, ‘subsidieslurper’ en ‘Himmler’ vielen. Zuivere wetenschap was het niet, maar het was ook geen geschreeuw.

Dat gewone mensen zo’n wetenschappelijke houding hebben, is zo gewoon geworden dat je vergeet hoe uitzonderlijk het is. Eeuwenlang gold dat het voetvolk blind zijn leider volgde. Je dacht niet na. Er werd voor je gedacht.

Van die reaguurders kun je nog zeggen: die schieten op alles, dus ze schieten af en toe ook raak – maar hun gezonde grondhouding van ‘mij fop je niet’ en show me the data wordt veel breder gedeeld.

Dat is logisch. We zijn hoger opgeleid dan ooit. In de jaren vijftig volgde 5 procent van onze bevolking hoger onderwijs. Nu is dat bijna de helft. Verhoudingsgewijs tien maal zo veel mensen hebben een jarenlange training gevolgd in zelfstandig denken.

Zelf nadenken moet. Oude denkkaders van paus of partij bestaan niet meer. Dat is soms lastig. We zijn de eerste generatie die stemwijzers nodig heeft om te bepalen welke partij we steunen; die zelf eerst research doet voor de stembusgang.

Dat een kritische houding mainstream is geworden, zie je terug in de samenleving, bijvoorbeeld bij de onlangs gestopte amateurspeurder Peter R. de Vries, die als leek rechters tartte, of op internet, waar doe-het-zelven bij uitstek floreert – bij de anti-autoritaire, pientere hackers bijvoorbeeld, of bij WikiLeaks.

Je hoort weleens zeggen dat politiek alleen nog maar over meningen gaat, dat het fact free politics is geworden, maar er is ook een ander verhaal – onze ongelofelijke honger naar feitjes, naar stats, naar infographics. Hoe kan het anders dat Wikipedia – nota bene een door leken gebouwde encyclopedie die de Britannica intussen evenaart – bij de best bekeken sites ter wereld zit?

Waarom raadplegen miljoenen burgers dagelijks überhaupt een encyclopedie? Dat deden ze vroeger nooit. Zie ook de populariteit van wetenschapsnieuws op nu.nl of in de Quest. Data, niet dogmata, zijn ons houvast.

Deze generatie – zo geobsedeerd door ‘puur’ en ‘authentiek’– is ook extra alert op fake en op verzinsels. We ontmaskeren graag. Internet is daarin een constante training. Hier schiften we dagelijks, noodgedwongen, inhoud van spam. Een al te opzichtig gecamoufleerde commercial? Viral! Een wel erg spectaculair filmpje? Hoax! Een onderzoek dat vleeseters hufters zijn? Fopwetenschap!

Die houding van ‘ons fop je niet’ is irritant, bijvoorbeeld voor artsen, als ze patiënten op bezoek krijgen die vooraf al op Google hebben uitgezocht wat hun mankeert en wat de antecedenten van de arts zijn, of voor reclamemakers, wanhopig zoekend naar nieuwe verleidingstechnieken.

Ze is ook irritant voor wetenschappers als prof. dr. Roos Vonk. Vorig jaar maakte ze een Wikipedia-artikel aan over haarzelf. Daaraan gingen Wikipedianen vervolgens sleutelen. Vonk scheef later een column over het „legioen zelfbenoemde eindredacteuren, die kennelijk ook nog de hele dag niks beters te doen hebben [en] zich betweterig en zonder enige kennis van zaken mengden in een tekst over mij”.

Dit was een klassiek verweer van een expert tegen een leek. Wie denk je wel niet dat je bent, snotaap? Dit was niet ‘toon mij de data’, maar ‘toon mij je diploma’.

‘Kleine luyden’ zijn groot geworden. Dat is even wennen, ook voor politici. Sommige leiders willen het volk nog mennen als gedweeë schapen. Wie denken ze, bijvoorbeeld, te foppen als ze zeggen dat Kunduz toch heus een politiemissie is?

Zelluf doen. Zelluf denken. Het is een superirritant trekje. Kantianen op coke, dat zijn we. De geest is uit de fles, maar deze geest is best goed. Het is dit – of weer als volgzame schaapjes achter de herdershond aan, net als vroeger.

Arjen van Veelen is redacteur van nrc.next.