Ontmoetingen met kwetsbare beroemdheden

Een vreemde onderneming: een boek met uitgeschreven tv-interviews. Maar ook zonder beeld blijven de beste interviewers overeind.

Interviewers en geïnterviewden in de bundel 'De beste tv-interviews'.
Interviewers en geïnterviewden in de bundel 'De beste tv-interviews'.

Ruzie is natuurlijk het aardigst. Als het interview eindigt met: „We zien elkaar wel voor de rechter.” Of een onthulling, een ontboezeming, een interview met politieke gevolgen; een zwakke premier die „met de kennis van nu” door de bocht gaat, over een oorlog waarin hij ons in rommelde. Of anders een voormalige koningin die een beetje vreemd doet.

In het boek De beste tv-interviews heeft Sonja Barend dertig geruchtmakende televisie-interviews verzameld, van 1966 tot nu. De tv-presentatrice leent al enige jaren haar naam aan de Sonja Barend Award voor het beste televisie-interview van het jaar. Die wordt op 8 oktober uitgereikt. Het boek hoort bij de hausse aan boeken en tv-programma’s die het zestigjarig jubileum van de Nederlandse televisie begeleiden.

Het boek had eigenlijk een dvd-box moeten zijn. Nu krijgen we halfproducten: transcripties van wat er is gezegd zonder dat je ziet hoe het is gezegd. Terwijl het beeld zo bepalend is: Juliana die steeds met haar vuistje op haar knie slaat, prins Bernhard die half gegeneerd, half geamuseerd ernaast zit te lachen. Martin Simek die kleiduiven schiet met psycholoog Piet Vroon. Roald Dahl die zijn gammele schrijfschuur laat zien aan Ivo Niehe.

Het enige interview dat zonder beeld kan, is dat van Wim Kayzer met de toenmalige Spaanse minister van cultuur Jorge Semprún. De interviewer komt nauwelijks aan het woord. Dit is geen gesprek, dit is een indrukwekkend monoloog over een belangrijk deel Europese geschiedenis: gevlucht voor de Spaanse burgeroorlog, in het verzet tegen de nazi’s, gemarteld door de Gestapo, van zijn geloof in Stalin gevallen, strijd tegen Franco, en dan minister in het nieuwe Spanje. Louter volzinnen, heel anders dan de spreektaal uit de andere interviews, met de onafgemaakte - of slordig opgebouwde zinnen. Waarschijnlijk komt dat doordat dit het enige vertaalde gesprek is, en al is bewerkt voor een eerder boek.

Sommige vraaggesprekken zijn eigenlijk helemaal niet goed en hebben alleen nog enige historische waarde: Mies Bouwman die de Amsterdamse burgemeester Van Hall spreekt ten tijde van de jeugdopstand van 1966; Aad van den Heuvel en Ed van Westerloo met de Indonesische president Soekarno op weg naar de uitgang. Andere zijn vooral beroemd omdat het vermakelijke ruzies zijn: Adriaan van Dis met schrijver W.F. Hermans en journalist Willem Oltmans. Van Dis wordt met deze keuze onrecht aangedaan. Hoe aardig een ruzie ook is, het is wel een mislukt interview. Terwijl hij zoveel geslaagde heeft gemaakt.

Sonja Barend blijkt een voorkeur te hebben voor het psychologische interview. De ondervraagde duidt zijn eigen geest, doorgaans aan de hand van een moeilijke jeugd. Opvallend vaak zeggen de geïnterviewden dat hun leven is veranderd door psychotherapie. Annie M.G. Schmidt had de zegen van de shrink nodig om te trouwen, historicus Loe de Jong meldt dat hij nooit zijn twaalf delen over de Tweede Wereldoorlog had kunnen schrijven als de psychiater niet had ingegrepen. Dit zijn de kinderen van Freud, na de oorlog bevrijd door de psychiater. De anders zo stoïcijnse voetbaltrainer Dick Advocaat schiet al vol als Wilfried de Jong alleen maar zijn vader noemt, waarop De Jong zegt: „God, Dick, daar zitten we verdomme. Heel eenzaam, in de duurste hotelkamer, en jij maakt hem zeiknat.”

Nog altijd de grootste interviewer is Ischa Meijer. Ook hij behoorde tot de psychoanalytische school. Trouw aan zijn adagium dat ieder interview een zelfportret is, rustte hij niet voordat hij een vadercomplex op tafel had. Onbeschaamd en fel, soms etterig en beledigend maakte hij van ieder gesprek een spektakel. Wat dat betreft zijn zijn geschreven interviews anders dan de interviews voor radio- en televisie. Die eerste waren vaak full quote monologen waaruit hij zijn eigen aandeel had verwijderd. Helemaal op zijn plaats is hij tegenover schrijver Annie M. G. Schmidt. Ze kennen elkaar, delen een gevoel voor humor, het genoegen in ironisch ontluisteren. Dat plezier spat nog steeds van de pagina’s.

Sonja Barend heeft ook een voorkeur voor gesprekken met mensen die voor het grote afscheid staan. Dat geeft de interviews als vanzelf een grote lading. De ondervraagden hebben niet zoveel meer te verliezen en zijn al in een bui van zelfbeschouwing en terugblikken.

Bovenal bieden deze gesprekken dat waar iedere interviewer naar op zoek is: menselijke kwetsbaarheid. Marten Toonder vereenzaamt in het verzorgingshuis, Gerard Reve en koningin Juliana zijn niet meer helemaal helder, minister van staat Hans van Mierlo maakt zich nog één keer kwaad over het schenden van de democratische beginselen. Grootindustrieel Frans Swarttouw zegt: „Ik begrijp niet wat leven is, ik begrijp niet wat dood is. Ik begrijp niet wat doodgaan is. Zoals ik tegen mijn geneesheer zei: ‘Ja, ik doe dit voor de eerste keer, voor zover ik kan nagaan’.”