Nederland steunt tabaksindustrie

Minister Schippers ontmoedigt het roken niet langer. Is dit liberaal, vragen Johan Mackenbach en Onno van Schayck zich af.

Illustratie Angel Boligan
Illustratie Angel Boligan

De Verenigde Naties hielden gisteren in New York een top over ‘niet-overdraagbare ziekten’. Deze top gaat over de vraag hoe kanker, hart- en vaatziekten, chronische longziekten en diabetes het best kunnen worden bestreden. Terwijl Rusland en Brazilië zich door hun presidenten laten vertegenwoordigen, kan er bij Nederland niet meer af dan een ambtenaar. Deze VN-top geeft prioriteit aan de bestrijding van tabak, maar in Nederland wordt het tabakontmoedigingsbeleid stukje bij beetje afgebroken.

Wat is hier aan de hand?

Evenals in veel andere landen is roken in Nederland de belangrijkste oorzaak van voortijdig overlijden. Jaarlijks sterven bijna twintigduizend mensen aan de gevolgen van tabaksgebruik, door hart- en vaatziekten, longkanker en chronische longziekten. Dat zijn 28 keer zo veel doden als door verkeersongevallen.

Weliswaar is het aantal rokers sinds de jaren zeventig gedaald, maar in vergelijking met andere landen was deze daling heel bescheiden. Bijna nergens in West-Europa ligt het percentage rokers hoger dan in Nederland. Dat komt doordat Nederland, onder invloed van de tabaksindustrie, een halfslachtig tabakontmoedigingsbeleid heeft gevoerd. Daardoor werden maatregelen hier altijd later genomen, en in een afgezwakte vorm.

De laatste jaren begon de situatie wat hoopvoller te lijken. De invoering van de Tabakswet van minister Borst (Volksgezondheid, D66) bracht, samen met enkele gerichte voorlichtingscampagnes en een flinke accijnsverhoging, aan het begin van het vorige decennium het aantal rokers in Nederland voor het eerst beneden de 30 procent. Minister Klink (Volksgezondheid, CDA) deed een poging het roken in de horeca uit te bannen en trof voorbereidingen om medicamenteuze ondersteuning van stoppen met roken onder te brengen in het basispakket van de zorgverzekering. Dit laatste is begin 2011 daadwerkelijk ingevoerd.

Wat doet dit kabinet? Minister Schippers (Volksgezondheid, VVD) draait de klok weer terug. Onder invloed van een lobby van de tabaksindustrie is een uitzondering op het rookverbod gemaakt voor de kleine horeca. Roken in cafés en disco’s is weer min of meer normaal. De minister heeft verder besloten de ondersteuning van stoppen met roken uit het basispakket te halen. Ook stopt ze met voorlichtingscampagnes. Ten slotte heeft ze aangekondigd dat Stivoro, het instituut dat sinds de jaren zeventig de waakhond is van tabaksbestrijding, wordt opgeheven.

Toen de minister haar beleid in de Kamer moest verdedigen, zegde ze toe dat ze zich zou hardmaken voor een rookvrij schoolplein. Maar wie haar Nota Gezondheidsbeleid heeft gelezen weet inmiddels beter.

Misschien is het een kwestie van politieke overtuiging – dat beïnvloeding van het gedrag van burgers in strijd is met de liberale uitgangspunten van de minister – maar vergelijking met Engeland, waar geestverwanten van de minister aan de regeringstafel zitten, leert dat dit niet de verklaring is. Het kabinet-Cameron wil de burger niet lastigvallen met allerlei wetten en regels, maar voor tabak maakt het een uitzondering. Onlangs is besloten dat tabaksproducten niet meer zichtbaar te koop mogen liggen. Toen bezuinigingen op antirookcampagnes leidden tot minder mensen die stopten met roken, werden de kortingen onmiddellijk teruggedraaid. Pubs blijven rookvrij. Ten slotte volgt de Britse regering het internationale verdrag over tabaksbestrijding, door transparant te maken wanneer en waarover met de tabaksindustrie wordt gesproken.

Ook de Nederlandse regering heeft dit verdrag ondertekend, maar zij maakt de contacten met de tabaksindustrie niet openbaar. Wij doen een beroep op de minister om niet de belangen van de tabaksindustrie, maar de gezondheid van de Nederlandse burger centraal te stellen.

Johan Mackenbach is hoogleraar maatschappelijke gezondheidszorg aan het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam. Onno van Schayck is hoogleraar preventieve geneeskunde aan de Universiteit Maastricht.