In het puberend brein

Oliver Tate (Craig Roberts) overdenkt zijn zonden. scene uit de film Submarine (2010) FOTO: Wild Bunch
Oliver Tate (Craig Roberts) overdenkt zijn zonden. scene uit de film Submarine (2010) FOTO: Wild Bunch

Submarine. Regie: Richard Ayoade. Met: Craig Roberts, Noah Taylor, Sally Hawkins, Yasmin Paige. In: 7 bioscopen. ****

Waarom genieten we toch zo van films over de adolescentie, zelfs als die voor onszelf een halve eeuw geleden is? Van ‘coming of age’-films? Omdat adolescenten, behalve mooi, ook zo irritant en ontroerend zijn? Dat mengsel van branie en onbeholpenheid, die razende hormonen, die onvoorspelbaarheid en neiging tot melodrama? Het is een tijd die beklijft: toen je werd wat je bent.

Anil Ramdas wees er vorige week op dat natuurvolkeren het gemakkelijk hebben. Geen puberteit voor hen, slechts een ‘rite de passage’. Dan trek je als jongen van dertien bijvoorbeeld twee weken het oerwoud in, doet wat lichte zelfverminking en likt aan hallucinogene kikkers, waarna de peniskoker wordt aangemeten en het volwassen leven begint. Die luxe is voor Oliver Tate in Submarine niet weggelegd: hij moet het allemaal zelf ontdekken.

Zoals hij je vanaf de filmposter aankijkt, denk je de film wel te kunnen uitspellen. Twee intelligente, grote ogen met zware wallen boven een koddig grote houtje-touwtjejas. Tijd: ergens in de jaren tachtig. Plaats: Swansea, Wales. Zeker weer zo’n semiautobiografische film over een intelligent buitenbeentje die zijn solipsistische, morbide puberwereld ontgroeit. Zo’n jongen die misplaatst superioriteitsgevoel paart aan volstrekt gebrek aan realiteitszin, die flitsen van inzicht afwisselt met kinderlijke naïviteit, en wiens ingwikkelde intriges steeds faliekant mislukken.

Inderdaad, Oliver is een incarnatie van Max Fischer uit Wes Andersons Rushmore (1998), een invloedrijke film die de wereldvreemde geek in de mode bracht: na hem trokken tegendraadse types als Napoleon Dynamite of Juno volle zalen. Maar Oliver Tate is veel minder kunstmatig, meer mens, dan al die Amerikaanse voorgangers, hoe idioot zijn strapatsen ook zijn. Misschien ligt dat aan de prozaïsche omgeving: Swansea, waar zonlicht altijd herfstig door matglas lijkt te schemeren. Of aan die Britse traditie van kitchen sink-drama waaruit regisseur Richard Ayoade put.

Net als in de gelijknamige roman van Joe Dunthorne ontleent Submarine dynamiek en humor aanvankelijk vooral aan de volstrekt onbetrouwbare verteller. De vertelstem is van Oliver Tate, die uit eigen dagboek lijkt voor te lezen – maar de beelden vertellen meestal een volstrekt ander verhaal. Dat begint al direct met een dagdroom waarin Oliver zichzelf dood waant, tot groeiende ontzetting van klas, school en ten slotte heel Engeland. Waarna hij ons deelgenoot maakt van zijn listige plan om de aandacht van Jordana Bevan te trekken. Zij is bereikbaar, want niet al te populair, stelt Oliver koeltjes vast. En verkering is goed voor zijn status. Samen treiteren ze dikkertje Zoe: als Oliver haar in een zwarte bospoel duwt, is Jordana’s hart gewonnen – waarna Oliver zijn opspelend schuldgevoel sust door Zoe te schrijven dat de ervaring haar psychische weerbaarheid vergroot.

Jordana is een onsentimenteel Roodkapje met een voorliefde voor pesten, domineren, chanteren en pyromanie. Seks met Jordana wordt Olivers obsessie, een andere voorkomen dat zijn moeder valt voor de dubieuze charmes van oude vlam Graham, een derderangs New Age-charlatan. Pa, een gedeprimeerde zeebioloog, doet niks, dus moet Oliver handelend optreden. Vindt hij zelf.

Een nare jongen, maar door de effectieve voice-over blijf je als kijker ronddwalen in zijn puberend brein en deelgenoot van zijn verwrongen logica. Daarom vergeef je Oliver alles. Submarine ontroert zoals Het geheime dagboek van Adrian Mole dat deed, de bestseller uit de jaren tachtig. „Ik weet, op mijn 38ste betekent dit allemaal niets meer”, zegt hij. Toch wel, Oliver. Toch wel.

Coen van Zwol