Grote Onvriendelijke Reus

In het NOS tv-debat van gisteren waren Job Cohen en Geert Wilders in een ongemakkelijke tango verwikkeld, waarbij ze elkaar allebei de titel ‘De Grote Gedoger’ in de maag probeerden te splitsen. Zelf vond ik De Grote Gedoger wel gezellig klinken. Als een mild, vriendelijk persoon die een enorme villa bezit waar hij steeds wilde feesten geeft, en als je vraagt: „Mogen we misschien ook dat andere antieke Perzische wandkleed in de vuurkorf doen, het wordt weer een beetje koud”, lacht hij even hoofdschuddend en vindt het vervolgens goed. Maar goed, misschien is dit het soort typering waar een sterk politicus die een land wil leiden ver van wil blijven.

Terwijl Wilders en Cohen doorgingen met hun Grote Gedoger Zwarte-Pietenspel, dacht ik na over bijnamen. Toen ik jonger was, wilde ik niets liever dan een nieuwe naam. Niet dat ik Renske wilde vervangen – ik wilde alleen een extra naam, een koosnaampje dat niets te maken had met serieuze zaken als ‘Laura’ of ‘Anne’, maar dat iets was als ‘Poezenpootje’ of ‘Kapitein Dekschrobber’ of ‘Prrrrrrrtalieloe’. Mijn zus werd door iedereen ‘Pluis’ genoemd, omdat haar krullende haar zo pluizig was. Pluis – dat was nog eens een fijne bijnaam. Dat klonk als een pasgeboren babykonijn met slaapoogjes. Omdat niemand van plan leek om mij uit zichzelf een bijnaam te geven, besloot ik naar mijn vader te gaan en er gewoon om te vragen. Mijn vader dacht even na en zei toen: „Tante Pecunia?” Ik had geen idee wat dat betekende, maar ik vond het stom. Het klonk als een verschrompeld kruidenvrouwtje. Nogal teleurgesteld zei ik: „Laat dan maar”, en ik begreep dat het met die bijnaam niet zou gaan lukken.

Later gaf een vriendje me wel een bijnaam: GOR. Dit stond voor: Grote Onvriendelijke Reus. Zodra ik ergens over zeurde, haalde hij de drie letters aan. Hoewel dit slechts een pesterig grapje was binnen een goede relatie (en niet een uiting van subtiel huiselijk geweld) was het toch niet de bijnaam waar ik echt mee verder wilde.

Daarna had ik nog een bijnaam kunnen proberen te bemachtigen bij een studentenvereniging, de politie of de maffia. Allemaal niet gelukt.

Laatst had ik het met een vriend over mijn gemis. Troostend zei hij: „Zal ik je dan een bijnaam geven? Wat dacht je van Honingdas? Dat zijn de raarste dieren ter wereld. Ze durven alles en ze eten giftige slangen.” We wisten allebei dat deze beschrijving niet helemaal met mijn karakter of eetgewoonten overeenkwam, maar ik was blij. Honingdas was de beste bijnaam ooit.

Ik vertelde mijn zus dat ik eindelijk ook een bijnaam had gekregen. Ze reageerde lachend: „O, maar je had wel een bijnaam. Toen je heel klein was kon je weleens een beetje drenzen. En noemden we je Drenske.”

Drenske dus.

Zullen we gewoon Honingdas onthouden?

Renske de Greef